Earl Scruggs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Earl Scruggs

Earl Scruggs (Flint Hill (North Carolina), 6 januari 1924Nashville, 28 maart 2012) was een Amerikaans banjospeler die bekend werd door het introduceren van een geheel nieuwe[bron?], drievingerstijl, die een van de kenmerkende onderdelen werd van bluegrassmuziek. Zijn timing en expressie hebben de banjomuziek voor altijd veranderd[bron?]. Ook de toon die Scruggs uit zijn Gibson Granada[1] haalde is slechts door weinigen geëvenaard.

De vergelijking van Scruggs met Paganini is zeker niet overdreven. Hij heeft op de ontwikkeling van de banjomuziek net zo'n grote invloed gehad als de Italiaanse meesterviolist op de kunst van het vioolspelen. Ook hij tilde het spel met eigen composities en door zijn kwaliteiten als uitvoerend musicus naar een geheel nieuw niveau[bron?].

Biografie[bewerken]

In 1945 ging hij deel uitmaken van Bill Monroes Blue Grass Boys en zijn drievingerspeelstijl werd al snel een sensatie. In 1948 verliet hij de band van Monroe en vormde een eigen band 'The Foggy Mountain Boys' met zanger/gitarist Lester Flatt die ook juist the Blue Grass Boys had verlaten.

In 1962 namen Flatt en Scrugs The ballad of Jed Clampett op, de titelmuziek voor de televisieserie The Beverly Hillbillies, waarin ze zelf ook enkele malen optraden. In 1968 gingen Flatt en Scruggs uit elkaar en startte Scruggs een nieuwe band, the Earl Scruggs Revue, samen met enkele van zijn zoons. Hierin zou hij echter helaas nooit meer het niveau van zijn periode bij de Foggy Mountain Boys halen.
Flatt en Scruggs kregen in 1968 een Grammy voor de instrumentele uitvoering van Foggy Mountain Breakdown. In 2002 kreeg Scruggs een tweede Grammy, voor een heropname van datzelfde nummer.

Het ultieme banjoalbum is de instrumentale LP "Foggy Mountain Banjo", met daarop veel van de nummers die ofwel geschreven door, dan wel in de uitvoering door Scruggs zijn gaan behoren tot het basisrepertoire van iedere banjospeler.

Tot in 2007 trad Scruggs soms nog op en speelde dan weer de nummers die hem zijn roem gaven. Gezien zijn leeftijd was zijn spelvaardigheid bewonderenswaardig, hij kon zich nog meten met banjospelers die half zo oud waren[bron?].

Noot