Ecologische gradiënt
Een ecologische gradiënt is een geleidelijke overgang tussen 2 gebieden (voorbeelden: een overgang van bos, via bosrand naar weiland: een begrazingsgradiënt; de samenstelling van de vegetatie op verschillende hoogten in een berggebied). Het kan gaan om een geleidelijke overgang in biotische en abiotische milieufactoren, die gewoonlijk samengaat met een geleidelijke overgang in soortensamenstelling. Deze twee gradiënten gaan gewoonlijk samen.
Oorspronkelijk werd er bemonsterd langs een fysieke gradiënt, bijvoorbeeld van laag naar hoog in de bergen en wordt de soortensamenstelling in verband met deze gradiënt gebracht. Maar het is niet nodig, dat de bemonstering op een en dezelfde gradiënt plaatsvindt. Het is ook mogelijk op veel verschillende plaatsen te bemonsteren en eventueel de relevante milieufactoren te meten. Het ecologisch onderzoek aan gradiënten heet ordinatie of gradiëntanalyse.
Er worden twee typen gradiëntanalyse onderscheiden:
- directe gradiëntanalyse: verklaring van de gradient in soortensamenstelling aan de hand van de gradient in gemeten milieufactoren
- indirecte gradiëntanalyse: verklaring van de gradient in soortensamenstelling zonder direct gemeten milieufactoren, maar eventueel met afgeleide indicaties van de soorten zoals Ellenberggetallen voor planten voor zuurtegraad, nutriënten in de bodem, temperatuur, licht, bodemvocht, zoutgehalte van de bodem.
Het onderzoek van de vegetatie door Amerikaanse onderzoekers heeft zich in sterke mate gericht op het onderzoek van ecologische gradiënten, terwijl het Europese onderzoek meer gericht was op het openstellen van een vegetatietypologie. Dit laatste type onderzoek in in Europa begonnen met Frans-Zwitserse school zoals dit vorm heeft gekregen on de leiding van Josias Braun-Blanquet.
Het onderzoek aan gradiënten heeft geleid tot het inzicht dat veel soorten, die voorkomen langs een bepaalde gradiënt, een bepaalde waarde hebben, waar beneden ze niet meer voorkomen (de minimumwaarde); daarnaast is er een waarde waarboven ze niet meer voorkomt (de maximumwaarde); en daartussen is er een waarde waar de soort zich het best heeft ontwikkeld (de optimumwaarde voor de soort langs de betreffende gradiënt). Het gebied tussen minimum en maximum bepaalt de tolerantie van de soort. De mate waarin de soort voorkomt bij de optimale waarde van de gradiënt heet de amplitude.
In gebieden met gradiënten is er vaak een grote diversiteit aan dieren en planten.