Edictum de pretiis rerum venalium

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fragment van het edict in het Pergamonmuseum te Berlijn

Het edictum de pretiis rerum venalium (Latijn voor edict over de prijzen van koopwaren) of prijzenedict is een edict dat in 301 werd uitgevaardigd door keizer Diocletianus.

Het doel van het edict was het bedwingen van inflatie door middel van het vaststellen van maximumprijzen voor een groot aantal goederen en diensten. Eerder in zijn regering had de keizer getracht het muntstelsel dat ondanks de hervormingen van Aurelianus verder verloederd was te hervormen. Zijn nieuwe munten hadden echter de inflatie nog eerder aangewakkerd dan bedwongen en daarom experimenteerde de keizer met een prijsmaatregel. De maatregel had bitter weinig effect omdat de middelen om de regelgeving in het gigantische rijk ook af te dwingen grotendeels ontbraken. Bovendien ging de munt verder met het slaan van grote aantallen munten met een lage intrinsieke waarde, wat de inflatie almaar aanwakkerde. Het edict had dan ook voornamelijk economische ontwrichting ten gevolge. Producenten hielden op te produceren en handelaren zochten de zwarte markt op, hielden op met handelen of vervielen in ruilhandel. De soldaten ondervonden al snel dat ze met hun soldij niet veel vermochten.

Het edict werd waarschijnlijk in Antiochië of Alexandrië afgekondigd en in Griekse en Latijnse inscripties bekendgemaakt. Het is nu voornamelijk van fragmenten uit het oostelijk deel van het rijk bekend, waar Diocletianus regeerde. Het stuitte al snel op kritiek onder andere van Lactantius en leidde tot geweld en zelfs bloedvergieten. Tegen het einde van de regering van Diocletianus in 305 werd het edict voornamelijk genegeerd, maar de economie herstelde zich pas met de hervormingen van het muntstelsel door Constantijn.

Bepalingen[bewerken]

In het eerste deel van het edict worden de waarden van de koperen en bronzen munten vastgesteld en de doodstraf opgelegd aan alle profiteurs en speculanten die verantwoordelijk gesteld worden voor de inflatie. Zij worden zelfs vergeleken met de barbaarse stammen die het rijk van buiten aanvielen. Het werd handelaren verboden hun waren elders te gaan verkopen. Kosten van vervoer mochten niet in de prijs doorberekend worden.

Het laatste deel van het edict beslaat ongeveer een derde van het geheel. Het is onderverdeeld in 32 hoofdstukken en legt de prijzen vast van meer dan duizend producten. Het legde niet de prijs als zodanig vast, maar definieerde wel een maximum. Er werden prijzen aan een maximum gebonden voor allerlei voedingswaren (vlees, graan, wijn, bier, worst enz.) maar ook vrachtprijzen voor vervoer over zee en weeklonen. De hoogste limiet was voor een pond purperen zijde: 150.000 denarii. Een leeuw was even duur.