Eed van Straatsburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Eed van Straatsburg (14 februari 842) is een alliantie tussen de halfbroers Lodewijk de Duitser en Karel de Kale tegen hun (half)broer en keizer Lothar.

De achtergrond[bewerken]

De oorsprong van het conflict lag bij keizer Lodewijk de Vrome, vader van de drie rivaliserende zonen. Lodewijk wilde de eenheid van zijn rijk tot elke prijs bewaren, in strijd met de Frankische traditie, volgens dewelke iedere zoon recht had op een deel van de bezittingen van zijn vader. Met de Ordinatio Imperii vaardigde Lodewijk in 817 zijn oplossing voor dit probleem uit : daarin bepaalde hij dat Lothar keizer en opperkoning zou worden, met zijn twee broers Lodewijk de Duitser en Pepijn van Aquitanië als onderkoningen.

Lodewijk de Vrome bemoeilijkte evenwel eigenhandig de aanvaarding van deze regeling door in 823 een vierde zoon te verwekken : Karel de Kale, die hij ook in zijn erfenis moest laten delen. Lodewijk de Duitser en Pepijn van Aquitanië ambieerden de positie van onderkoning toch al niet, en met een vierde erfgenaam erbij zouden zij nog minder krijgen.

De situatie werd enigszins vereenvoudigd doordat Pepijn in 838 twee jaar vóór zijn vader kwam te overlijden, waarmee het aantal erfgenamen werd teruggebracht tot drie. Deze verwierpen de Ordinatio Imperii van hun vader en werkten op 30 mei 839 in het Akkoord van Worms een nieuwe erfregeling uit; elk ging daarna zijn toekomstige landen betrekken. Nadat Lodewijk de Vrome in 840 was gestorven, eiste Lothar als oudste zoon evenwel alsnog de uitvoering van de Ordinatio Imperii. De twee anderen weigerden, waarna Lothar met hen de strijd aanbond, maar in 841 in het Bourgondische Fontenoy-en-Puisaye verpletterend verslagen werd. Hij bleef echter gevaarlijk voor de overwinnaars Lodewijk de Duitser en Karel de Kale, die nu hun onderlinge geschillen vergaten en op 14 februari 842 plechtig ten overstaan van hun verenigde legers de Eed van Straatsburg zwoeren. Daarin beloofden ze om elkaar blijvend bij te staan, waarna voor Lothar het pleit verloren was.

De Eed van Straatsburg is daarmee de rechtstreekse aanleiding tot het Verdrag van Verdun van 843, waardoor Karel de Grotes grote Frankische Rijk werd gesplitst in het West-, het Midden- en het Oost-Frankische Rijk.

De tekst[bewerken]

Uittreksel uit de Eed van Straatsburg

Op basis van het Akkoord van Worms waren de toekomstige koningen alvast in hun erfdeel gaan resideren, Karel de Kale in de Romaanse landen, Lodewijk de Duitser in de Germaanse, en Lothar daar tussenin. Toen de twee eersten elkaar met hun achterban te Straatsburg ontmoetten, zagen zij zich voor een taalprobleem geplaatst. Daarom werd besloten dat elk van beiden de eed zou zweren in de taal van de andere zijn leger. De teksten zijn overgeleverd door Nithard.

De versie in de Teudisca lingua (Germaans-Duitse taal), opgesteld in het Rijnlands Germaans van die dagen.

Eerst sprak Karel de Kale :

  • « In Godes minna ind in thes christianes folches ind unser bedhero gealtnissi, fon thesemo dage frammordes, so fram so mir Got geuuizci indi mahd furgibit, so haldih tesan minan bruodher, soso man mit rehtu sinan bruodher scal, in thiu, thaz er mig sosoma duo ; indi mit Ludheren in nohheiniu thing ne gegango, zhe minan uuillon imo ce scadhen uuerhen »
  • « Uit liefde tot God, en tot heil van het Christelijke volk en van ons beiden zal ik van deze dag voort, zolang God me nog weten en macht schenkt, deze mijn broer te hulp komen, zoals men terecht zijn broer (bijstaan) zal, en dit zolang hij voor mij hetzelfde doet; en ik zal met Lothar geen enkele regeling aangaan die, met mijn wil, hem - Lodewijk - zou kunnen schaden. »

... en daarna Lodewijks troepen :

  • « Oba Karl then eid, then er sinemo bruodher Ludhuuuige gesuor, geleistit, indi Ludhuuuig min herro, then er imo gesuor, forbrihchit, ob ih inan es iruuenden ne mag, noh ih noh thero nohhein, then ih es iruuenden mag, uuidhar Karle imo ce follusti ne uuirdit »
  • « Indien Karel de eed nakomt die hij zijn broer Lodewijk gezworen heeft, en Lodewijk, mijn heer, deze verbreekt die hij hem - Karel - gezworen heeft, en ik hem niet kan overhalen, (dan) zal noch ik noch iemand van hen die ik kan overhalen, hem hulp tegen Karel verlenen »

De versie in de Romana lingua (Romaans-Franse taal); ze vormt de eerste geschreven neerslag van een Romaanse taal die zich - zij het nog maar nauwelijks - van het Latijn heeft losgemaakt.

Nu is eerst Lodewijk de Duitser aan het woord :

  • « Pro deo amur et pro christian poblo et nostro commun salvament, d'ist di in avant, in quant deus savir et podir me dunat, si salvarai eo cist meon fradre Karlo et in aiudha et in cadhuna cosa, si cum om per dreit son fradra salvar dist, in o quid il mi altresi fazet, et ab Ludher nul plaid nunquam prindrai, qui meon vol cist meon fradre Karle in damno sit. »
  • « Uit liefde tot God, en tot heil van het Christelijke volk en van ons beiden zal ik van deze dag voort, zolang God me nog weten en macht schenkt, deze mijn broer Karel zowel door mijn hulp als met elk middel bijstaan, zoals men uit rechte zijn broer moet bijstaan, en dit zolang hij voor mij hetzelfde doet; en nooit zal ik met Lothar eender welke regeling aangaan die, met mijn wil, mijn broer Karel zou kunnen schaden. »

... en daarna de troepen van Karel de Kale :

  • « Si Lodhuvigs sagrament, que son fradre Karlo iurat, conservat, et Karlus meos sendra de suo part non lo tanit, si io returnar non l'int pois : ne io ne neuls, cui eo returnar int pois, in nulla aiudha contra Lodhuvig nun li iu er. »
  • « Indien Lodewijk de eed nakomt die hij zijn broer Karel gezworen heeft, en Karel, mijn heer, van zijn kant zich er niet aan houdt, en ik hem niet kan overhalen, (dan) zal noch ik noch iemand van hen die ik kan overhalen, hem tot hulp tegen Lodewijk zijn »

Opmerking over een zinsnede uit de Eed[bewerken]

Er staat in de Romaans-Franse tekst een stukje dat geen tegenhanger heeft in de Germaans-Duitse, namelijk daar waar Lodewijk zich ertoe verplicht om zijn broer Karel bij te staan «et in aiudha et in cadhuna cosa» (zowel door mijn hulp als met elk middel). Nalatigheid van de kopiist is hiervoor de waarschijnlijkste verklaring.

Wat betekent deze formule precies? Men zal de gelijkenis opmerken met het Latijn: «et consilio et auxilio», in raad en (gewapende) daad, en zelfs met het homerische Grieks «oude ti oi boulas, oude men ergon» (Ilias, Hstk IX vers 374), noch door mijn raadgevingen noch door mijn kracht.

«Cosa» kon in het Romaans-Frans van de 11e eeuw elke van de betekenissen van het Latijnse «causa» hebben: rechtszaak, debat, zaak die men voorstaat of verdedigt; deze zijn later verlorengegaan («cause» in het Frans is een late reconstructie vanuit het Latijn). De algemene betekenis van de zinsnede is dus: «hetzij met raadgevingen hetzij met gewapende kracht».

Wat zou de tegenhanger in de «teudisca lingua» kunnen zijn geweest? Door een gelukkig toeval is ze ons misschien bewaard in het Hildebrandslied, een tekst van heel andere aard maar bijna even oud als de Eed. Dit poëtisch fragment verhaalt de discussie en daarna de strijd op leven en dood tussen een vader en zijn zoon, leden van twee vijandelijke legers. De vader Hildebrand zegt zijn zoon nooit een verwant te hebben gehad die hem in «dinc ni geleitos», vergadering of (gewapende) geleide, dichter stond dan hem. Dit was zonder twijfel de traditionele zegswijze om een volledige verbintenis uit te drukken, en ze stemt in vorm en betekenis volledig met de Romaans-Franse en de Latijnse formules overeen.