Eerste Brits-Sikhoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eerste Brits-Sikhoorlog
Datum 1845-1846
Locatie Punjab
Resultaat Britse overwinning.
Strijdende partijen
Flag of the British East India Company (1707).svg Britse Oost-Indische Compagnie Nishan Sahib.svg Sikh-keizerrijk
Verliezen
2.200 doden
4.441 gewonden
5.000 doden en gewonden

De Eerste Brits-Sikhoorlog werd uitgevochten tussen het Sikhrijk en de Britse Oost-Indische Compagnie van 1845 tot 1846. Het leidde tot een gedeeltelijke Britse overwinning.

Aanloop[bewerken]

Het Sikhrijk in Punjab werd tijdens de vroege jaren van de 19e eeuw uitgebreid door de Maharadja Ranjit Singh. Tegelijkertijd waren de Britten door middel van verovering en annexatie hun grondgebied in India aan het uitbreiden. De grenzen van hun kolonie reikten tot aan Punjab. De relatie tussen Groot-Brittannië en Ranjit Singh was semi-vriendelijk. Aan de ene kant kreeg hij wat grondgebied ten zuiden van de rivier Sutlej, aan de andere kant begon hij ook zijn eigen forten te versterken en een legermacht op te bouwen, zowel door de Britse agressie als door een oorlog met de Afghanen. Er werden Amerikaanse en Europeaanse huurlingen aangenomen om het leger te trainen en te leren omgaan met artillerie. De Sikhs wisten gebruik te maken van onenigheid tussen de Afghanen en veroveren verschillende steden waaronder Peshawar en Multan en de Kasjmirvallei.

Ranjit Singh overleed in 1839. Zijn wettelijke opvolger, zijn zoon Kharak Singh, was niet populair en werd binnen een paar maanden afgezet. Hij zou later onder duistere omstandigheden overlijden in de gevangenis, mogelijk door vergiftiging. Zijn opvolger was zijn zoon Kanwar Nau Nihal Singh, maar ook die overleed een paar maanden later onder mysterieuze omstandigheden. Hij stierf doordat hij onder een vallende muur terecht kwam bij het fort van Lahore toen hij terugkeerde van de crematie van zijn vader.

Er waren twee grote groepen in Punjab die streefden naar macht en invloed: de sikhistische Sindhanwalia's en de hindoeïstische Dogra's. De Dogras slaagden erin Sher Singh, een bastaardzoon van Ranjit Singh, benoemd te krijgen als zijn opvolger. De meest prominente Sindhanwalia's zochten hun toevlucht op het Britse grondgebied.

Na de dood van Ranjit Singh werd het leger in snel tempo uitgebreid, van 29.000 soldaten in 1839 naar 80.000 in 1845. Ook landeigenaren en hun arbeiders gingen onder de wapenen. Het merendeel van de soldaten in het leger waren Sikhs. De macht van het leger nam toe en vormde steeds meer een staat binnen een staat. Sher Singh slaagde er niet in tegemoet te komen aan de financiële eisen van het leger. Om die reden werd hij in september 1843 vermoord door een officier uit het leger. De Dogras namen wraak op de aanslagplegers en stelden Jind Kaur, de jongse weduwe van Ranjit Singh, aan als regent namens haar kind Duleep Singh. Hira Singh, de Vizier en belangrijkste adviseur van Jind Kaur werd gedood in december 1844, terwijl hij de hoofdstad probeerde te ontvluchten, stelde zij haar broer Hawahir Sing aan als Vizier. Deze probeerde het leger voor zich te winnen, maar deze stelden eisen waar hij niet aan tegemoet kon komen. Hij werd vermoord in september 1845 tijdens een militaire parade in het bijzijn van Jind Kaur en Duleep Singh. Jind Kaur zwoer publiekelijk wraak te nemen.

De Britse Oostindische Compagnie was direct na de dood van Ranjit Singh al begonnen met militaire versterkingen in de gebieden die grensden aan Punjab. In 1844 annexeerde zij Sindh, iets ten zuiden van Punjab. Ook vestigde ze een militair kwartier in Ferozepur, slecht een paar mijl van de Sutlej-rivier, die gold als grens tussen Brits-Indië en Punjab. De Britten zagen het losgeslagen Sikh-leger als een bedreiging. Tegelijkertijd waren er onder Britten ook personen die wachtten op een goede aanleiding om Punjab in te nemen, het laatste grote rijk in India dat nog niet in Britse handen was. Bovendien was Punjab welvarend.

Oorlog[bewerken]

Raja Lal Singh die het leger van de Sikhs leidde

Door toenemende spanningen en verschillende beschuldigingen over en weer verbraken beide landen de diplomatieke relaties met elkaar. Een compagnie van de Oost Indische Compagnie marcheerde naar Ferozepur, waar al een andere divisie van de Bengal Army, een onderdeel van de Oost Indische Compagnie, gelegerd was. De Sikhs zagen dit als een bedreiging en begonnen op 11 december 1845 de grens over te steken. De aanvallers waren niet alleen Sikhs, maar onder hen waren ook infanterie-eenheden uit Pashtun, Kasjmir en Punjabi.

De Sikhs beweerden dat zij slechts hun eigen stellingen betrokken (met name de stad Moran die door beide kanten geclaimd werd), maar de Britten zagen de acties als een vijandige daad en verklaarde oorlog. Op 18 december vond de eerste slag plaats bij Mudki. Deze werd door de Britten gewonnen. Een tweede grote slag op 21 december eindigde onbeslist, vooral omdat Lal Singh, de leider van het leger, weigerde nog eens aan te vallen, toen de linies van de Britten op het punt stonden te worden doorbroken door uitputting aan hun kant.

De Sikhs bedreigden vervolgens de voorraad- en communicatielijnen van het Britse leger. Een divisie onder leiding van Sir Harry Smith werd er op afgestuurd om hen te ontzetten. Hij slaagde daarin en versloeg in de Slag van Aliwal op 28 januari 1846 opnieuw de Sikhs. Op 10 februari vielen de Britten het bruggenhoofd van de Sikhs aan ten zuiden van de Sutlej-rivier. Zij vernietigden de bruggen en daardoor zaten de Sikhs vast. De Sikhs vochten door en de Britten toonden weinig genade. Daardoor werd het grootste deel van het Sikh-leger vernietigd.

Nasleep[bewerken]

Maharadja Duleep Singh komt de overgave tekenen bij de Britten in Lahore

Op 9 maart 1846 werd het Verdrag van Lahore getekend waarbij de Sikhs het waardevolle gebied tussen de river Beas en de Sutlej-rivier overdroegen. Ook moesten zij een som van 15 miljoen roepies betalen aan de Britten. Omdat de Sikhs daar niet in slaagden namen de Britten ook Kashmir, Hazarah en alle forten en gebieden van belang tussen de Beas-rivier en de Indus in. In een latere regeling kocht Gulab Singh, de Raja van Jammu, Kashmir van de Britten voor 7,5 miljoen roepies. Hij kreeg toen de titel Maharadja van Jamnu en Kashmir.

Duleep Singh bleef aan als leider van de Sikhs en zijn moeder bleef regent. Een jaar later trof hij echter met de Britten een regeling waardoor hij zelf een pensioen ontving van honderdvijftig duizend roepies. Er kwam een Britse politieke agent naast hem te staan die alle beslissingen moest goedkeuren. Dit gaf de Oost Indische Compagnie de feitelijke controle over de regering. Twee jaar later brak de Tweede Anglo-Sikh Oorlog uit.

Bronnen, noten en/of referenties