Eigenerfde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een eigenerfde of eigengeërfde was in de middeleeuwen en nieuwe tijd een grotere boer die zijn eigen grond bezat. Een eigenerfde was een vrije boer die zijn hoeve zonder tussenkomst van een leenheer kon (laten) bewerken. De eigenerfden hadden waardelen, dat zijn aandelen in de boermarke, het gemeenschappelijke bezit van een buurschap. Zij werden gemachtigd door de markegenoten, de inwoners van een marke, en vormden het dagelijks bestuur van de marke.

Eigenerfde boeren die in het bezit waren van een paard en steek- of slagwapens, werden weerboeren genoemd.

In de provincies Drenthe, Friesland en Groningen speelden de eigenerfden een grote rol in de staatsinrichting. Samen met de adel zaten zij in de staten van deze provincies. Bij edele heerden bezaten eigenerfden het collatierecht, dat is het recht om een dominee of pastoor voor te dragen voor benoeming. Ook konden ze andere functionarissen voor benoeming voordragen.

In het 'monsterproces van Faan', waarin de beruchte Rudolf de Mepsche 22 mensen ter dood veroordeelde voor 'sodomie' (zie Faansche Gruwelen), speelde de positie van de eigenerfden een belangrijke rol.

In de moderne tijd nam de stand van de herenboer eenzelfde soort sociale positie in als de eigengeërfde van voorheen.

Zie ook[bewerken]