Elgin marbles
Onder de Elgin marbles verstaat men naast een verzameling marmeren ornamentele sculpturen van het Parthenon (friezen en metopen) van de Atheense Akropolis één van de kariatiden van het Erechtheion die zich vanaf 1816 in het British Museum te Londen bevinden.
Toelichting [bewerken]
De bewuste beeldhouwwerken werden door de Britse Lord Thomas Bruce (1766-1841), 7e graaf van Elgin and Kincardine en toenmalig gezant (1799 tot 1802) van de Engelse kroon bij de Ottomaanse sultan in Constantinopel, tussen 1801 en 1804 vanuit Athene naar Londen vervoerd. Door financiële problemen zag de lord zich in 1816 verplicht de kunstwerken te verkopen aan de Britse regering. Een toenmalige parlementaire commissie oordeelde dat kunstwerken van zulk een uitzonderlijke culturele waarde maar beter staatsbezit konden worden. Zodoende belandden ze tenslotte in speciaal daartoe ontworpen ruimtes van het British Museum . Het beroemdst zijn de Parthenonsculpturen en één van de kariatiden van het Erechtheion.
De verwoede kunstverzamelaar Lord Elgin liet het materiaal verwijderen met toelating van de lokale Turkse overheid. Zijn bedoelingen waren oorspronkelijk echter vrij bescheiden: hij vroeg alleen maar de toestemming om schetsen en enkele plaasteren afgietsels te laten maken ten behoeve van het landhuis dat hij zich in Engeland liet bouwen. Tijdens zijn verblijf in Athene ervoer hij echter de omkoopbaarheid én het totale gebrek aan kennis en interesse van de Turkse ambtenaren, en maakte van deze situatie misbruik om het waardevolle beeldhouwwerk, meer dan de helft van wat de tand des tijd overleefde, als "studiemateriaal" naar Engeland te verschepen. Het werk in Athene werd uitgevoerd door de Italiaanse landschapsschilder Giovanni Battista Lusieri, die met hulp van een paar andere, door Elgin ingehuurde hulpkrachten enkele jaren aan dit project gewerkt heeft.
Oorzaak van tegenspraak [bewerken]
Al vanaf het begin was het weghalen van de sculpturen omstreden: de Britse dichter Byron, in 1810 en 1811 op Grand Tour in o.a. Griekenland, sprak er schande van.
Naar verluidt namen de 19e-eeuwse Grieken Lord Elgin vooral de diefstal van de kariatide kwalijk. Volgens een middeleeuwse legende hielden de Atheners de beelden voor betoverde meisjes die weer tot leven zouden komen als de Turken het land hadden verlaten. Bijgelovige mensen meenden 's nachts klaagzangen te horen, die de achtergebleven korai om hun verloren zuster aanhieven...
Sinds de jaren 90 van de 20e eeuw zijn de Elgin marbles het voorwerp van een meningsverschil tussen de Britse en de Griekse regering, die ze graag terug in eigen land wil krijgen om ze in het nieuwe Atheense Acropolis Museum een plaats te geven. Men wil zodoende op de oorspronkelijke site de beeldenverzameling wedersamenstellen. In de woordentwist gebruiken de Grieken regelmatig de woorden "kunstroof" en "vandalisme", terwijl de Britten liever de term "conservering" hanteren. Vooral toenmalig cultuurminister Melina Mercouri heeft met veel enthousiasme, maar zonder resultaat, geijverd voor de terugkeer van de Elgin marbles naar Athene. Antonis Samaras, de Griekse cultuurminister in 2009, uitte bij de opening van het nieuwe museum in 2009 dezelfde wens. Ditmaal ook tevergeefs.