Emanuel de Witte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Emanuel de Witte
Afbeelding gewenst
Persoonsgegevens
Geboren Alkmaar, 1617
Overleden Amsterdam, 1692
Beroep(en) Schilder, tekenaar
Oriënterende gegevens
Bekende werken De binnenplaats van de beurs in Amsterdam (1653), Interieur van de Nieuwe Kerk te Delft (1656), Interieur van de Portugese synagoge te Amsterdam (ca. 1680)
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Emanuel de Witte (Alkmaar, 1617 – Amsterdam, 1692) was een Nederlands schilder en tekenaar behorend tot de Hollandse School. Hij is vooral bekend vanwege zijn vele, soms verzonnen kerkinterieurs. In tegenstelling tot andere kerkschilders, die een zeer nauwkeurige weergave van het interieur reproduceerden, wist De Witte door een gezocht, maar toch schilderachtig effect een geheel nieuw aspect aan dit onderwerp te geven: hij plaatste figuren in een zonnige belichting.

Levensloop[bewerken]

Delft[bewerken]

Emanuel de Witte, was de zoon van een schoolmeester, verder is er weinig over zijn jeugd bekend.[1] Hij trad in 1636 toe tot het Sint Lucasgilde in Alkmaar en schilderde mythologische of religieuze voorstellingen en portretten. Hij was van 1637 tot 1639 in de leer bij de Delftse schilder Evert van Aelst. Vervolgens werkte hij twee jaar in Rotterdam. Van 1640 tot 1651 werkte De Witte in Delft en maakte voornamelijk speelschulden; er zijn relatief weinig schilderijen uit die tijd bekend. De Witte trouwde met Geertje Ariaens van de Velde en kreeg twee kinderen, beide gedoopt in de Oude kerk. In Delft woonde hij eenvoudig, eerst in de Choorstraat, en later huurde hij een goedkoop huis aan de Nieuwe Langendijk.

Amsterdam[bewerken]

In 1651 vestigde De Witte zich in Amsterdam op de N.Z. Voorburgwal, toen de blommarkt. In 1655 stierf zijn vrouw. De Witte hertrouwde in dat zelfde jaar met de 23-jarige Lysbeth Lodewycx van der Plass. Lysbeth bleek een slechte invloed te hebben op zijn dochter Jacomijntje. De beide vrouwen werden in 1658 aangeklaagd wegens herhaaldelijke diefstal bij de buren. Het was hun gelukt om over de schutting, om via het dak of door een gat in de muur in de woning van een kapitein te komen.[2] De zwangere Lysbeth werd te kaak gesteld en vervolgens voor zes jaar uit de stad verbannen; Jacomijntje werd voor een jaar opgesloten in het Spinhuis.[3] Zijn vrouw die in een hutje buiten de Tweede St Antoniespoort leefde, liet in het jaar daarop hun kind in een schuilkerk dopen.[4] Toen zij stierf in 1663 is ze plechtig de kerk ingedragen: op een zwarte baar met roef. Emanuel de Witte verkocht zijn meubels en kreeg onderdak in de Kloveniersdoelen, dankzij zijn contacten en invloedrijke afnemers.

Emanuel de Witte, die in voortdurende geldnood verkeerde, ging in 1660 een verbintenis aan met het echtpaar Joris de Wijse, een notaris, en Adriana van Heusden. Zij zouden de geniale schilder kost en inwoning verschaffen en jaarlijks achthonderd gulden uitbetalen, maar daarvoor al het werk van De Witte in handen krijgen. Natuurlijk moest hij haar ook schilderen. Toen hij in 1663 verhuisde nam hij echter vier schilderijen mee. In 1664 had hij een dergelijke schikking getroffen met Laurens Douey. In 1669 spande Adriana, middels haar nieuwe echtgenoot, een proces tegen De Witte aan om de vier schilderijen terug te krijgen.[5]

Emanuel de Witte heeft de Oude kerk vanuit bijna alle hoeken geschilderd, en de kerkmeesters moeten hem goed hebben gekend.[6] De Witte maakte schetsen en schilderde thuis. In de kerk was het veel te druk en had hij waarschijnlijk te veel bekijk. Het orgel, de kroonluchters, en de balken liet hij weg of verplaatste hij, als naar gelang zijn ideeën over de compositie. De Witte gaf nooit het front van het orgel een plaats in zijn schilderijen: in het schilderen van de orgelpijpen had hij echt geen zin.

De Witte kon raar uit de hoek komen, waardoor ook potentiële klanten of vakbroeders, zoals Gerard de Lairesse werden afgeschrikt. Nadat hij ruzie kreeg met de schoonzoon van Michiel de Ruyter sneed hij het bestelde schilderij met een mes in stukken.

In 1678 schilderde de Witte een genrestuk, dat verdacht veel lijkt op een schilderij van Gabriel Metsu, waarop een gezelschap, de familie Hinlopen, staat afgebeeld.[7] Het schilderij bevindt zich tegenwoordig in de Alte Pinakothek.

De Witte leerde aan de neef van zijn huisbaas in Delft, Pieter van der Vin (overleden 1655) het schilderen. 1687 of later leerde hij het vak aan Hendrik van Streeck, bij wie hij tijdelijk inwoonde.

Arnold Houbraken schrijft dat Emanuel de Witte zelfmoord pleegde, nadat de huisbaas de huur opeiste.[8] De Witte was van plan zich aan de leuning van de Korsjespoortbrug op te hangen, maar het touw brak en de oude man viel in het Singel. Omdat die avond een strenge vorst inviel, werd zijn lijk eerst elf weken later - nadat de dooi was ingetreden - gevonden bij de Haarlemmersluis.[9]

Bronnen

  • Liedtke, W., e.a. (2001) Vermeer and the Delft School, New Haven: Yale University Press, p. 432.
  • Manke, Ilse (1963) Emanuel de Witte, 1617-1692, Amsterdam: Hertzberger.

Noten

  1. Manke (1963): pp. 1-6.
  2. Van Eeghen, I.H. van (1976) De familiestukken van Metsu van 1657 en van De Witte van 1678 met vier levensgeschiedenissen. Jaarboek Amstelodamum, p. 88-89.
  3. Van Eeghen, P. van (1958) Kinderbescherming 300 en 200 jaar geleden. Maandblad Amstelodamum, december 1958, p. 221-3;
  4. Doopbewijs van dochter in RK-schuilkerk
  5. Ekkart, R & Q. Buvelot (2007) Hollanders in Beeld. Portretten uit de Gouden Eeuw, p. 224.
  6. Bijtelaar, M. (1969) De kerkmeesters van de Oude Kerk. Jaarboek Amstelodamum, p. 37.
  7. Van Eeghen, I.H. van (1976) De familiestukken van Metsu van 1657 en van De Witte van 1678 met vier levensgeschiedenissen. Jaarboek Amstelodamum, p. 78; I. Manke (1963) Emanuel de Witte, p. 57-58.
  8. De Grote Schouwburg (1995) Schildersbiografieën van Arnold Houbraken. Samenstelling Jan Konst en Manfred Sellink.
  9. J. Buisman (2006) Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, Deel 5, blz. 178-179. "In 1692 konden de trekschuiten tussen 13 januari en 13 maart niet uitvaren. Schepen die bij Texel lagen, moesten uitvaren om niet vast te vriezen".