Emile Degelin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Emile Degelin

Emile Degelin (Diest, 16 juli 1926) is een Vlaamse film- en televisieregisseur, filmproducent, filmeditor, filmdocent, scenarioschrijver en schrijver van romans.

Levensloop[bewerken]

In 1951 behaalde hij de eerste prijs met grote onderscheiding van de Ecole Nationale de Cinématographie in Parijs. Degelin liep stage in Londen bij Arthur Elton en John Greerson in documentairefilms en was assistent van J. Guillermin en P. Leecock in lange speelfilms. Ook liep hij stage in de Actors Studio te New York City en de Barrandow Studios te Praag.

Sinds 1952 is Degelin filmregisseur, scenarist, monteur en producer. In 1962 stichtte hij (en werd hij coördinator van) de filmafdeling aan het Rijksinstituut voor Toneel- en Cultuurspreidingstechnieken (RITCS) te Brussel, waar hij tot 1992 docent filmvormgeving en filmregie was. Hij vertegenwoordigde het RITCS op de internationale congressen van het Cilect (Centre International de Liaison des Ecoles de Cinéma et de Télévision) te Tokyo en te Mexico.

Van 1981 tot 1991 was hij tevens docent filmacting aan de Studio Herman Teirlinck te Antwerpen. Ook schrijft hij sinds 1982 romans.

In 1953 trad hij in het huwelijk met de Franstalige romancière Jacqueline Harpman. Dit huwelijk eindigde in 1962, waarna hij in 1963 hertrouwde met Angela Schlottke, met wie hij drie kinderen heeft (Philippe, Muriel en David).

Een autobiografie: realiteit en fictie[bewerken]

Degelin begint zijn carrière als cineast in 1952 in België, waar op dat ogenblik slechts een handvol selfmade collega’s actief zijn, namelijk in reclamespots en documentaire films. Er is nog geen televisie, noch een Ministerie van Cultuur dat films subsidieert. In dat niemandsland begint Degelin te werken als monteur en regisseur van documentaires voor Gerard De Boe, een Vlaamse oud-koloniaal die zich ontpopt als een dynamische filmproducer en vooral films maakt over Kongo. Op diens vraag schrijft Degelin ook een adaptatie van ‘Boerenpsalm’ van Felix Timmermans, die wegens te hoge financiële eisen van de rechthebbenden echter niet verwezenlijkt wordt. Degelin concipieert vervolgens voor De Boe een scenario voor een lange speelfilm over de missionering in Kongo, dat wegens zijn kritische maar realistische toon op geen medewerking kan rekenen van de kerkelijke overheid. Intussen realiseert Degelin met De Boe onder andere een poëtische film over Brugge, zonder commentaar, met originele muziek van André Souris, die internationale prijzen wegkaapt. Na de twee mislukte pogingen om een lange speelfilm te maken, verlaat Degelin uitgerekend op zijn zevenentwintigste verjaardag in der minne De Boe, om elders zijn ambities te kunnen realiseren.

In de muzikale kring van de componist André Souris raakt hij bevriend met een leeftijdgenoot, Jos Mertens, componist en latere professor in de filosofie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Met hun echtgenotes gaan beiden samen een villa huren en betrekken in Sint Genesius-Rode. Uit hun samenwerking ontstaan Sonate voor Brussel en Dock, poëtische kortfilms zonder commentaar, die stoelen op een interactie tussen beeld en muziek, en op buitenlandse festivals bekroond worden. Voor Liège, cité ardente doet Degelin beroep op een componist die zich aan elektronische muziek waagt, Henri Pousseur, in de pas opgerichte Studio voor Electronische Muziek te Brussel. Zijn stichter, Hervé Thys, raakt zo in contact met Degelin en met de filmwereld, en richt Spiralfilm op, de firma die Degelins droom om een lange speelfilm te realiseren zal waar maken. Op muziek van dezelfde Pousseur realiseert Degelin een documentaire over de bijdrage van de Belgische pioniers tot het ontstaan van de filmkunst: Voorgeschiedenis van de film. Degelin werkt voort als regisseur van experimentele muzikale kortfilms voor de RTBF en realiseert op muziek van de Italiaanse componist Luciano Berio Circles en Sirènes, die op het filmfestival van Berlijn de Zilveren Beer behaalt voor ‘de vernieuwde synthese tussen beeld en muziek’.

Films[bewerken]

"Si le vent te fait peur" (1960)[bewerken]

Via Spiralfilm helpt een Waalse industrieel Degelins eerste lange speelfilm "Si le vent te fait peur" financieren, zonder subsidies van de overheid en zonder enige waarborg voor een distributiesector die volledig beheerst wordt door de Amerikaanse films - in een land waar noch filmtechniekers, noch filmacteurs, noch klankstudio’s waren, terwijl de enige kleine filmlaboratoria alleen vertrouwd waren met het printen van filmkopies via de internegatieven van de buitenlandse lange speelfilms. Een surrealistisch avontuur! Degelin stampt een erg beperkte filmploeg uit de grond met F.Geilfus (een bevriende beeldhouwer die alleen reclamespots op zijn actief had) als chef-cameraman, met B.Taquet, een reporter, als cameraman, J.Bechoff als assistent-cameraman, A.Thomas als productieleider, en een niet-professionele schminkster die tegelijk voor scriptgirl speelt. Vijf personen, kortom een ploeg voor een documentaire film, buiten Degelin die de taken opneemt van scenarist, dialoogschrijver, regisseur en monteur. Een hechte vriendschap, methodisch vakmanschap en een motivatie die wonderen verricht, moeten een gemeenschappelijke droom waar maken.

De cast omvat geen acteurs met enige filmervaring. Een jonge debutante, Elisabeth Dulac, wordt door Degelin voorbereid op de vrouwelijke hoofdrol. De andere rollen worden vertolkt door de toneelacteurs Guy Lesire, Henri Billen, Paul Roland, Bobette Jouret en Anne-Marie Lafère. Twee volle zomermaanden, zonder één wolkje noch regendruppel, kamperen ploeg en cast in de duinen van de westhoek bij De Panne om de opnamen in te blikken. De sfeer in die kleine ploeg ademt de prikkelende zeelucht van het decor, de eindeloze duinen. Niet minder dan vijf leden van ploeg en cast zullen zich later doen gelden als romanauteur, met vooraan Jacqueline Harpman, Degelins echtgenote en latere winnares van de Prix Médici in Parijs, Degelin die de prijs voor zijn debuutroman zal behalen, Anne-Marie Lafère, Guy Lesire, en Denise Geilfus.

Het duinendecor leent zich in een zwart-wit film uitstekend voor het scheppen van de gespannen sfeer tussen de twee protagonisten, een zuster en haar broer, die innerlijk geconfronteerd worden met het taboe van een verborgen passie. De dominante horizontale dimensies van het landschap stralen geen rust maar berusting uit in hun lot. Een traag filmritme zet aan tot bezinning, niet over een incestueuze relatie, maar eerder over de grote liefde tussen twee partners die niet verblind zijn door een coup de foudre, doch elkaar grondig kennen: een aspect dat de keuze meebracht van hun familiale relatie die alle demonstratieve flash-backs overbodig maakt en zo de rechtlijnige sobere verhaallijn respecteert.

De discrete en pudieke benadering van het taboe stootte alleen op argwaan bij personen die de film niet gezien hadden. Voor de muziek doet Degelin beroep op Martial Solal, de Franse jazzmusicus, die op dat ogenblik tevens de muziek componeert voor ‘'À bout de souffle'’, de film van een andere in Frankrijk debuterende regisseur, een zekere Godard. Degelin beseft niet dat het om Jean-Luc Godard gaat , de broer van Rachel, tien jaar voorheen de eerste grote liefde van Degelin, die zijn scenario voor zijn lange speelfilm inspireerde. Fictie en realiteit zullen moeilijk scheidbaar blijken. Ook een Franse geluidstechnicus, de ‘bruiteur’, werkt in dezelfde periode mee aan beide films. De twee regisseurs, die elkaar tien jaar voorheen gekend hebben, krijgen via hun twee gemeenschappelijke medewerkers wel echo’s te horen van elkaar, zonder elkaar echter ooit te ontmoeten. Op het festival van Cannes 1960 lopen ze elkaar ten slotte tegen het lijf om te beseffen dat ze na al die jaren beiden filmregisseur zijn geworden.

‘À bout de souffle’ wordt in privé vertoond in een bioscoop van de Rue d’Antibes, terwijl ‘Si le vent te fait peur’ deelneemt aan de officiële competitie en uitgroeit tot de ‘sensatie’ van het festival. De Parijse filmpers gewaagt van een ‘schandalig’ thema en neemt het op tegen de Belgische film, terwijl de pers uit de andere landen Degelin looft om zijn tactvolle en kiese benadering van het behandelde onderwerp. De nationale pers prijst de film als de beste Belgische lange speelfilm sinds de oorlog en de eerste nationale auteursfilm. Na het festival kreeg de Belgische producent vanwege de Franse douane te horen dat zijn film niet naar Frankrijk mocht worden uitgevoerd. Zonder enige uitleg. Na lang aandringen krijgt hij te horen: “Le Centre national de la Cinématographie française refuse la demande de mise en admission temporaire pour projection.” Punt, andere regel! Mogelijke objectieve verklaring: op dat ogenblik stoelde de Franse filmproductie voor een kwart op Belgische financiering. Een jaar na Cannes belandt de ”auteurs”- film in de Belgische bioscopen en wordt er warm onthaald.

Het is merkwaardig dat de film in 1962 de 1ste Prijs voor de beste onafhankelijke lange speelfilm behaalt in het Musée de l’Homme te Parijs. De filmkopie was er beland via de diplomatieke post. In Brussel krijgt de film een kwaliteitslabel vanwege l’Union de la Critique du Cinéma; op het festival van Columbia 1961 wordt hij bekroond met de filmclubsprijs; in 1963 wordt hij vertoond in het Rockefeller Center te New York; het festival te Antwerpen 1960 bekroont de film met de prijzen voor de fotografie en de vrouwelijke vertolking.

"Leven en dood op het land" (1963)[bewerken]

In 1962 draait Degelin zijn enige Nederlandstalige lange speelfilm "Leven en dood op het land", die twee luiken omvat: "De boer die sterft" naar het werk van Karel van de Woestijne, en "In ’t water" naar een novelle van Stijn Streuvels. Het uiterst beperkte budget stoelt op resp. een opdracht van de Vlaamse televisie en de Filmdienst voor pedagogische films van het Ministerie van Nationale Opvoeding. Beide films worden opgenomen in de streek van Doel.

Het hele dorp raakt bij de film betrokken. De lokale geneesheer, Dr Van Laere, neemt vrijwillig extra verlof om de regisseur bij zijn prospectie bij te staan. Voor de cast wordt beroep gedaan op lokale boeren en werklui. De oude boer die de hoofdrol speelt in "De boer die sterft", Dolf Tilleman, was schepen van de gemeente Verrebroek verantwoordelijk voor onderwijs, ook al bestond zijn handtekening uit een eenvoudig kruisje. Jaren later zou deze ongeletterde stoere boer, bij gelegenheid stroper en kleine smokkelaar, zijn laatste adem uitblazen met de woorden van Karel Van de Woestijne, die hij in de film bij het overlijden van zijn personage gereciteerd had. Realiteit en fictie blijven verstrengeld.

Het Kunst- en Cultuurverbond organiseert de filmvertoningen in het ganse Vlaamse land. De film wordt ook verkocht aan een Nederlandse distributeur. De film wordt genomineerd voor het festival van Berlijn 1963 waar hij kan bogen op een goed onthaal. Degelin ontmoet er bovendien zijn toekomstige echtgenote, Angela Schlottke, een festivalhostess en filmdebutante die door Degelin en de Duitse co-producent dr. Fischer gekozen wordt om de hoofdrol te spelen in een lange speelfilm. Die film zal er echter nooit komen en Angela Schlottke zal de hoofdrol spelen in Degelins verder leven. Fictie en realiteit!

"Y manana?" (1966)[bewerken]

‘Y manana?’ is Degelins eerste lange speelfilm die gesubsidieerd wordt door de filmcommissie van het Ministerie van Nederlandse Cultuur met een bedrag van 3 miljoen Belgische Francs, wat voor een film die gedurende twee maanden en grotendeels in Spanje wordt opgenomen, met in de hoofdrol de Franse komische vedette Jacques Dufilho, een peuleschil is.

Degelin viseert een komedie zonder enige dialogen. Bestaande operamuziek fungeert om een onirische sfeer te scheppen. Het onderscheid tussen realiteit en droom vervalt. Het ludieke einde van de film laat de toeschouwer de vrije keuze voor de ontknoping. De titel van de film "Morgen!" vertolkt tegelijk de onvoorstelbare bureaucratische moeilijkheden en misbruiken die de opnameploeg ondervond in Spanje. Realiteit en fictie! Om de nodige toelatingen te bekomen wordt Degelin verplicht een parallelle ploeg van Spaanse techniekers te engageren. Aangezien Degelin zijn eigen Belgische opnameploeg wil behouden, betaalt hij een Spaanse ploeg maar laat ze thuisblijven zodat hij minstens geen overuren hoeft te vergoeden. Na de opnamen blokkeert de Spaanse douane bij het overschrijden van de grens al het (nota bene in Spanje ontwikkelde en geprinte) opnamemateriaal. Degelins productieleider zal vijf weken lang in Madrid moeten "onderhandelen" om de filmopnamen weer vrij te krijgen. De nationale pers reageert verdeeld op de film: een deel van de Vlaamse pers is ontstemd omdat een Franse acteur de hoofdrol speelt in een Vlaamse film, de Franstalige pers is echter unaniem lovend.

"Palaver" (1968)[bewerken]

Zoals in "Y manana?" bezit de volgende lange speelfilm van Degelin, "Palaver", evenmin directe dialogen. Van begin tot einde wordt er echter off-screen gepalaverd in het Swahili door drie hoofdvertolkers, Afrikaanse studenten die in België universiteit lopen en een weekend aan de Belgische kust gaan doorbrengen. Hun "realiteit" en de filmfictie vallen weer samen!

Degelin experimenteert met kleuren, hetgeen in een lange speelfilm niet evident is. In plaats van de kleuren als een realiteitsverwijzing te gebruiken, doet Degelin geregeld beroep op monochrome kleurenbeelden om zo de veelkleurige realiteit bewust te ervaren en de symboliek ervan te benadrukken. De kleuren worden een autonome filmparameter die ook het filmritme bepaalt en bovendien het vertelstandpunt vertolkt.

Pittig detail: Degelin vindt het niet nodig geld te spenderen aan het maken van een generiek, hetgeen bijna niemand opvalt doordat de film begint met een ludieke montage van alleen de filmtitel.

Over "Palaver" zal de Franse cineast-ethnoloog Jean Rouch in zijn recensie gewagen van "de wonderbaarste film ooit gerealiseerd over het rassenprobleem". Het nationale Belgische filmfestival, dat voor één keer beroep deed op een buitenlandse jury, bekroont de film als de beste lange speelfilm in België gerealiseerd tussen 1969 en 1973. De film wordt genomineerd voor de officiële competitie op het festival van Moskou 1969. Degelin wacht er tevergeefs op de komst van een Belgische ambtenaar. Als cineast uit een kapitalistisch land klopt Degelin aan bij de festivaldirectie. Ze helpt de "arme" Belg bij het organiseren van een persconferentie, door ze te plannen na de Engelse en de Poolse, zodat de journalisten kunnen gepaaid met de overgebleven Engelse whisky en de Poolse wodka. Bij de filmvoorstelling in de grote Kremlinzaal laat Degelin, met medeweten van de festivaldirectie, al de Belgische journalisten op de scène defileren als leden van de filmploeg! Voor de zwarte rolbezetting was er geen figuratie beschikbaar.

Op ditzelfde festival ontmoet Degelin de directeur van het Festival van Venetië Laura, die het recht heeft zelf een film op zijn festival uit te nodigen en inderdaad Degelin uitnodigt om met "Palaver" aan zijn festival deel te nemen. Degelin laat een filmkopie versturen via de diplomatische post. Tot hij een telefoontje krijgt van Laura met de boodschap dat hij nog steeds niet in bezit is van de filmkopie. Ook Jos Burvenich pleegt zo’n telefoontje. Degelin verneemt dat de Belgische Consul in Milaan eenvoudig de filmkopie niet heeft doorgestuurd. Zonder enige uitleg! Degelin protesteert bij Buitenlandse Zaken, en ziet het festival van Venetië aan zijn neus voorbijgaan. In Moskou wordt hem door de Russen de kans geboden om met zijn film op tournee te gaan in de Sovjet-Unie, maar zijn activiteit als docent aan het Ritcs roept hem terug naar Brussel.

"Exit 7" (1979)[bewerken]

"Exit 7" wordt Degelins eerste co-productie en wel met een Nederlandse filmdistributeur. Het thema behandelt de levenswandel van een architect die uiterlijk alle tekenen van een gelukkig en welgestelde burger vertoont, maar inwendig ten prooi valt aan zijn existentiële angst. Het scenario verwoordt Degelins eigen problemen. De twee hoofdpersonages worden vertolkt door Peter Faber en Jadwiga Jankowska, een Poolse film- en toneelspeelster, die enige jaren later in Cannes de prijs voor de beste vrouwelijke interpretatie zal wegkapen. Zowel de technische ploeg als de cast omvat Vlamingen en Nederlanders. De film kent een behoorlijk commercieel succes in België en Nederland, en loopt tevens in Portugal en Italië. Het vrij harde thema lokt onverwachte reacties bij de media op. Bij de visie van de filmkopie in de Century-bioscoop te Antwerpen daagt het parket op, maar grijpt uiteindelijk niet in.

Sommige kranten, zowel Vlaamse als Franstalige, weigeren niet alleen een recensie, maar zelfs de opname van een betaalde publicitaire advertentie, hetgeen nooit eerder in België het geval was. Ook in Nederland ergeren de protestanten zich aan de sfeer van de film, die in grote steden als Den Haag echter volle zalen lokt.

Diverse biografische werken: "Learning to see" (1981)[bewerken]

Degelin realiseert biografische films onder andere van Camille Huysmans, Koningin Elizabeth en Karel Jonckheere, een streekgenoot met wie hij bevriend raakt en die vader is van een blindgeboren zoon Floris. Op een zekere dag in 1979 vraagt Degelin aan Karel Jonckheere: "Veronderstel dat Floris dankzij een operatie zou kunnen zien, hoe zou hij de visuele realiteit waarnemen die hij alleen kent van horen zeggen?" Die onbeantwoorde vraag wordt het begin van een lange speurtocht en leek Degelin een fascinerend idee voor een filmscenario. Zienden leven in ruimte en tijd, terwijl blindgeborenen enkel in de tijd leven. De ruimte die ze met hun handen of wandelend verkennen, vertalen ze in tijd, nl. in de vereiste prospectietijd. Onze realiteit is voor hen totaal verschillend, en niet met woorden te vatten, wist Karel Jonckheere uit ervaring.

Tevergeefs zoekt Degelin samen met de dichter oogspecialisten op om zich te documenteren over een blindgeborene die na een operatie het gezicht vindt. Daarop begint hij een speurtocht in wetenschappelijke bibliotheken naar dergelijke casestudies, tot hij eindelijk aan de universiteit van Marburg-an-der-Lahn belandt bij ene Heinrich Scholler, een blinde, die het intussen tot professor in de rechten geschopt had, en gedeeltelijk beantwoordt aan het gezochte profiel na een operatie door professor Strampelli te Rome. Professor Scholler schenkt aan Degelin het dagboek dat hij tijdens zijn revalidatie bijhield. Het achterhalen van de visuele realiteit blijkt voor een dergelijke patiënt geen jubelkreet, maar een ware tragedie. Diepe depressies spruiten voort uit het feit dat de patiënt zijn vertrouwde levenspatroon als blinde en daarmee zijn hele opleiding moet afleggen.

Degelin trekt naar Rome om de professoren Strampelli en Valvo op te zoeken, die professor Scholler zijdens zijn revalidatie begeleid had. Voor de wetenschappelijke en pedagogische aspecten stuurt Rome hem door naar de universiteit van Helsinki, waar hij wordt verwelkomt als een zonderlinge Belg die de wetenschappers uit Helsinki voor het eerst met de oogchirurgen uit Rome in contact brengt. Een geopereerde volwassen blindgeborene blijkt geen kans te maken om ooit nog te zien, tenzij hij in zijn eerste levensjaren niet volledig blind was. Onze ogen werken niet als een fotokopieerapparaat van de realiteit. We zien niet met onze ogen, maar met onze hersenen waarmee we die realiteit structureren. De realiteit is niet meer dan de meest plausibele hypothese, een hersenschim. De geopereerde patiënten moeten "leren" zien en dat is een ware lijdensweg die een enorme motivatie vergt.

Degelin die in die periode ook wetenschappelijke films realiseert voor Janssen Pharmaceutica, krijgt de steun van deze firma om een documentaire film te draaien over zijn hele prospectie: "Learning to see". Na ruim twee jaar studie schrijft Degelin het scenario voor een lange speelfilm over een blindgeborene die na een oogoperatie moet "leren" zien. Een onderwerp dat nooit eerder noch in film noch in een roman behandeld werd. Aangezien het verhaal zich afspeelt in verschillende landen, vergt de realisatie ervan grote middelen. In september van het jaar 1984 trekt Degelin zijn stoute schoenen aan en reist naar Hollywood op zoek naar een co-producent. De voorzitter van de Regisseursbond in Hollywood, Ted Post, aan wie Degelin tien exemplaren van het script en van de wetenschappelijke korte film gestuurd had met de vraag ze aan zijn bondsleden te overhandigen, verrast meteen Degelin met de boodschap dat hijzelf de film wil produceren en het daarom onnodig geacht heeft de andere exemplaren aan zijn collega’s door te spelen. Degelin is tegelijk erg blij maar tevens ongerust, omdat hij beseft dat zijn lot in de handen ligt van één persoon, een oude rot in het vak die onder andere Westerns op zijn naam heeft, een genre dat weinig uit te staan heeft met Degelins project.

Ted Post wil hard van stapel lopen en stelt Degelin voor om tijdens de eerstvolgende maanden zijn intrek te nemen in het Amerikaanse filmmekka. Het script mist de "Hollywood-touch" en in samenwerking met een Amerikaanse scriptwriter moet Degelin het "rewriten", want het scenario dat zich in België afspeelt, moet in de Verenigde Staten worden gelokaliseerd, de dialogen blijken niet vlot en de romantische passages moeten verder uitgediept. Voor de rol van de pedagoge die de blinde jongeman tijdens zijn revalidatie begeleidt, wil Post een beroep doen op Meryl Streep. Het geschatte bestek ligt ver boven de Belgische normen.

Degelin is echter verplicht begin oktober in België te zijn om bij het nieuwe academiejaar zijn rol van docent aan het Ritcs op te nemen en hij wil in zijn vaderland tevens de Filmcommissie, die via een voorbereidingspremie zijn reis gesubsidieerd had, polsen over de omvang van de financiële Belgische bijdrage. Hij keert terug naar België en brengt aan de Filmcommissie verslag uit van zijn productionele prospectie. Een Amerikaanse versie van het scenario voor een Engels gesproken film in een co-productie waarbij de Vlaamse financiële inbreng ver boven de gebruikelijke subsidies ligt, blijkt niet haalbaar. Het verdict wordt de grootste ontgoocheling uit zijn carrière. Om zijn frustratie te verwerken besluit hij een roman te schrijven over het behandelde thema.

Zoals de film steunt het boek uitsluitend op reële feiten en wetenschappelijk verantwoorde analyses. De roman omvat twee luiken waarvan de hoofdstukken regelmatig met elkaar alterneren: enerzijds een luik dat als fictie oogt en in feite het verleden van de blinde jongeman met zijn familiale, sociale en sentimentele relaties schetst, en anderzijds een uitsluitend realistisch luik dat aan de operatie en de revalidatie gewijd is. De roman oogst veel succes bij de pers, die het een parabel noemt voor het ganse bestaan.

Degelin laat zich ertoe overhalen een film te produceren met een Franstalige co-producent, waarbij het budget vrij begrensd blijft. Bij gebrek aan middelen beperkt Degelin zich tot het essentiële van zijn onderwerp: hij supprimeert het eerste luik van het tweeluikige scenario en verfilmt alleen het zuiver documentaire heelkundige en pedagogische luik. M.a.w. de fictiefilm wordt een docudrama bij gebrek aan de nodige fondsen. Alle rollen worden door Vlaamse acteurs en actrices vertolkt, die bij gelegenheid ook perfect aanvaardbaar Frans en Italiaans spreken. Wegens de beperkte financiële subsidies is de tussenkomst in natura vanwege de Franstalige televisie erg welkom. De door Degelin verhoopte chef-cameraman wordt kort voor de opnamen ernstig ziek, met als gevolg dat in allerijl een nieuwe opnameploeg wordt samengesteld, die de tijd niet krijgt om de vereiste testopnamen uit te voeren (onder andere om bepaalde afwijkende gezichtsfasen weer te geven), voorzeker vakkundig is maar voor de regisseur totaal onbekend. Dat euvel weegt sterk op de werksfeer.

Op het filmfestival van Gent wordt de film bekroond met de prijs van het publiek. Blijkbaar is dit publiek niet het "grote" publiek, want de pers vergelijkt zogezegd de film met de roman en beoordeelt de film als onderkoeld. Niemand lijkt te beseffen dat de film slechts één van de twee luiken van de roman weergeeft, nl. alleen het "klinische" luik. Bovendien zou het een klein kunstje zijn geweest om de revalidatie te misbruiken als pretext voor een sensuele relatie tussen de ex-blinde en zijn oudere begeleidster. Hierbij zou het essentiële van het nieuwe thema en de onderliggende beschouwingen over een realiteit die ergens fictie blijkt, achterwege blijven. De pers beoordeelt het docudrama (realiteit) met normen van fictie. Degelin berust erin dat de film meer geschikt is voor televisie dan voor de bioscoop.

Bibliografie[bewerken]

"De bevrijding" (1981)[bewerken]

In 1981 schrijft Degelin zijn eerste roman, "De bevrijding", die bekroond wordt als het beste literaire debuut 1982. Het is het begin van een autobiografie die drie kritische momenten uit zijn jeugd betreft: de puberteit, de adoloscent die een studiekeuze doet en de ontmoeting met een mogelijke levenspartner, respect. "De bevrijding", "De marsorder" en "De code van Napoleon".

"De koning van de Kuba" (1997)[bewerken]

Zijn filmwerk doorkruist zijn schrijven in de roman "De koning van de Kuba", het verslag van een prospectiereis die Degelin onderneemt naar het rijk van een eeuwenoude indrukwekkende beschaving. Als hij in Mushenge (Zaïre), de afgelegen "hoofdstad" van het Kuba-rijk, arriveert, kan Degelin zijn ogen niet geloven. Tot zijn eigen verwondering en die van zijn inheemse tolk herkent Degelin de site. Bijna twintig jaren vroeger had hij als monteur voor Gerard De Boe anderstalige versies gesonoriseerd van een documentaire film over de kort voorheen overleden fameuze voorganger van de actuele koning van de Kuba.

Ook de ontmoeting met de jonge kandidaat-opvolger van de troon tart de verbeelding. De troonopvolging verloopt er volgens de matriarchale lijn, en niet van vader op zoon. De koning is voor zijn onderdanen tevens god op aarde en beschikt over het recht op leven en dood. Toen de vorige koning overleed moest het leger ingrijpen om te voorkomen dat volgens de oude tradities een deel van de vele haremvrouwen levend met de koning begraven werd. Mobutu wilde van de vacante troon gebruikmaken om een kandidaat uit de rangen van zijn politieke partij te laten kronen. De jongeman was echter sinds vele jaren uitgeweken naar Matadi en vervreemd van zijn eigen stam. De notabelen van het koninklijke dorp kantten zich tegen de macht van Mobutu en verweten de kandidaat-koning zijn gebrek aan kennis van de oude tradities.

Degelin wordt ongewild een spelbreker als hij de kandidaat-koning vraagt de oude rites van zijn stam te laten opvoeren om hun filmisch karakter te kunnen beoordelen. Zo belandt de kandidaat-koning in een tragische en soms ook komische situatie. Degelin verblijft in een nabijgelegen kleine missiepost waar een oude Waalse priester met een lange witte baard en een evenoude kreupele Vlaamse broeder "overleven" als twee middeleeuwse schimmen. Als op een avond een van de vele prinsen Degelin komt uitnodigen om een zitting van het tribunaal bij te wonen, koesteren de twee geestelijken argwaan en manen Degelin aan in geen geval plaats te nemen op de taboeret die naast de koning staat. Aangezien het om een reconstructie van een oude rite gaat, lacht Degelin hun waarschuwing weg. Op een binnenkoer van het koninklijke bamboepaleis zitten zes notabelen in traditionele klederdracht voor een estrade waarop de kandidaat-koning, in luipaardvel, Degelin verwelkomt. Als zijn koninklijke gastheer hem uitnodigt naast hem op een taboeret plaats te nemen, gaat Degelin niet zonder schroom op het stoeltje zitten. Ook de maneschijn kruidt de filmische sfeer van het gebeuren. Een soort openbare aanklager laat een geboeide zwarte in onberispelijk burgerpak op het toneel verschijnen en steekt in het Kuba een discours af waarvan Degelins tolk hier en daar fluisterend een woord vertaalt. De geboeide jongeman wordt ervan beschuldigd oude rituele beeldhouwwerken uit de koninklijke schatkamer te hebben gestolen om ze in Kinshasa te verkopen.

Na de aanklacht, neemt ieder van de notabelen om beurt het woord om heel sereen zijn opinie uit te drukken. Degelin voelt zich geneigd zijn koninklijke gastheer via een dankwoord te laten verstaan dat de rite niet onnodig gerekt moet worden, als die gastheer plots opveert en in het Frans Degelin als getuige neemt van het verachtelijke gedrag van de beschuldigde en zich vervolgens wanhopig uitlaat over zijn haast onmogelijke taak om de tradities van zijn stam te handhaven. De uitroep die hij vervolgens in het Kuba tot het tribunaal richt, wordt door een uit het niets opdagende massa op luid gejuich onthaald. De geboeide jonge zwarte wordt vastgegrepen en weggesleurd terwijl hij hysterisch begint te gillen. Zonder Degelin een blik te gunnen, verlaat de kandidaat-koning de scène. Angstig maant de tolk Degelin aan om ijlings naar de missiepost te vluchten. Het is onduidelijk of de gemolesteerde jongeman gelyncht wordt. Op de missiepost blijken de twee geestelijken niet verwonderd over de "realiteit" en voorspellen dat het die nacht gelaten wachten wordt op een huiszoeking.

Na zijn terugkeer in België documenteert Degelin zich verder over het Kuba-rijk. Zo ontdekt hij een prachtig geïllustreerd reuzenboek uit 1911 van de Ierse antropologen Torday en Joyce, dat alle oude rites uitvoerig beschrijft. Dat wonderbare boek inspireert Degelin een filmplan. Degelin blijft corresponderen met de kandidaat-koning van de Kuba, die het idee verwelkomt om een film te wijden aan zijn koninkrijk. De instabiele politieke situatie in Zaïre ondermijnt op het laatste ogenblik die plannen. Degelin is echter zo ingenomen met het antropolische boek dat hij zijn vroegere prospectie verwerkt in een roman waarvan het hoofdpersonage dat boek wordt, dat al de kennis bevat die de kandidaat-koning nodig heeft om zich te laten kronen: "De koning van de Kuba", een zwarte bijbel.

"Portret van een jonge dame"[bewerken]

In zijn volgende roman wordt een schilderij het hoofdpersonage: het "Portret van een jonge dame" van de Vlaamse primitief Petrus Christus. Het aspect fictie-realiteit wordt vertaald in het dubbelspel tussen heden en verleden, tussen muze en levensgezellin, zodat het onderscheid tussen persoon en personage, tussen kunst en realiteit vervaagt. Het dromerige begin voert geleidelijk naar de intrige van een detectiveverhaal.

"De doublure" (2002)[bewerken]

De roman "De doublure" is gebaseerd op een waar gebeurd tragisch verhaal, dat het hoofdpersonage, nl. een filmregisseur, verwerkt tot in een scenario en een film. Hierbij vervagen de grenzen tussen realiteit en fictie. Zoals Pygmalion wordt hij verliefd op het door hem geschapen vrouwenbeeld. Film wordt zijn leven en zijn leven wordt film.

"Wachten op Elena" (2006)[bewerken]

Wanneer Degelin als adolescent over dag uit een bioscoop stapte, voelde hij zich op straat telkens geconfronteerd met het alledaagse gedrag van de voorbijgangers die zich niet schenen te bekommeren om de problemen die hem in de pas geziene film hadden aangegrepen. De overstap van de fictie naar de realiteit boezemde hem een zeker angstgevoel in.

Het is niet te verwonderen dat Degelins laatste roman "Wachten op Elena" focust op de tegenstelling tussen fictie en realiteit. Het hoofdpersonage, een jonge architect, grijpt via zijn werk de kans aan om een speurtocht te ondernemen in de moderne fysica, die ons "gezond verstand" en meteen onze begrippen over de realiteit ondermijnt. Zijn vroegere roman "De ooggetuige" stelde reeds dat we niet zien met onze ogen maar met onze hersenen. In "Wachten op Elena" leert de moderne fysica ons dat de scheiding waarnemer-realiteit pure fictie is. De objectieve realiteit die losstaat van ons bewustzijn, blijft omsluierd en ligt buiten ons bereik. Uiteindelijk bestaat de realiteit niet uit materiële zelfstandige voorwerpen, maar uit hun effecten, zodat ze eerder "geestelijk" is.

Filmografie[bewerken]

Korte films[bewerken]

Documentaires[bewerken]

  • Processie van Hakendover (BRT 1953)
  • Fiere mensen (sociale doc. 1953)
  • Moderne bierfabricatie (industriële doc. 1954)
  • Kinderen in de zon (BRT sociale doc.-1955)
  • Faits divers (sociale doc. 1955)
  • Camille Huysmans (biografie 1956)
  • Elizabeth van België (biografie 1956)
  • Van Mendel tot Morgan (Wetenschappelijke animatiefilm over erfelijkheid,1957)
  • Voorgeschiedenis van de film (Belgische voorlopers van de film -1959)
    • Verkozen als een der 8 beste korte films uit wereldproductie 1959 door de Fipresci te Wenen
    • Genomineerd voor officiële competitie festival Cannes 1959
    • Uitmuntendheidsprijs documentaire film festival Antwerpen 1960
  • Circles (RTBF,muzikale film- 1961)
  • Ontwikkelingssamenwerking (in Zaïre;1972), omvattende onder andere
    • Het dorp, De stad, Acculturatiezieken, De beeldhouwer Mpane, Het Virungapark.
  • Karel Jonckheere (biografie 1976)
  • Learning to see (wetenschappelijke film 1981)
  • Migraine (wetenschappelijke film 1982)
  • Rol van Calcium-ionen in hersenen (wetenschappelijke film 1982)

Fictie[bewerken]

  • Les jeux sont faits (Eindwerk Parijse filmschool 1951)
  • Slechte lectuur (RTBF 1955)

Lyriek[bewerken]

  • Brugge (1954)
  • Sonate voor Brussel (1955)
    • 1ste prijs festival van Mannhem 1955;
    • Genomineerd voor officiële competitie festival van Cannes 1955;
    • Persprijs Brussel 1955.
  • Dock (1955)
    • Genomineerd voor officiële competitie festival van Cannes 1955, en festival van Edinbourg 1955;
    • Bekroond op internationale week van toeristische film te Brussel 1955;
    • Bekomt “Prädikat” van de Duitse Bondsrepubliek.
  • Liège, cité ardente (1957)
    • 1ste prijs voor de toeristische film te Antwerpen 1960;
    • Genomineerd voor officiële competitie festival van Berlijn 1960;
    • Bekomt “Prädikat” van de Duitse Bondsrepubliek.
  • Sirenes (RTBF 1961)
    • Zilveren Beer op festival van Berlijn 1961;
    • Mercurio d’Oro op festival Van Valencia 1962.

Lange speelfilms[bewerken]

  • Si le vent te fait peur (1960)
    • Genomineerd voor officiële competitie van festival van Cannes 1960;
    • 1ste Prijs voor de onafhankelijke film te Parijs 1962;
    • Prijs van de filmclubs op festival van Columbia 1961;
    • Prijzen voor beste actrice en fotografie op festival Antwerpen 1960.
  • Leven en dood op het land (1963) : omvat De boer die sterft (K.Van de Woestijne) & In het water (Stijn Streuvels)
    • 1ste Prijs voor lange speelfilm te Antwerpen 1963;
    • Genomineerd voor officiële competitie van festival van Berlijn 1963.
  • Y manana? (1966)
  • Palaver (1968)
    • Genomineerd voor officiële competitie van festival van Moskou 1969;
    • 1ste Prijs voor beste lange speelfilm op festival te Knokke 1973 voor de Belgische producties van 1969 tot 1973;
    • Deelname aan de Quinzaine des Réalisateurs op festival van Cannes 1970;
    • Geselecteerd voor officiële competitie van festival van Venetië 1968 (maar de film belandde niet ter plaatse!)
  • Exit 7 (1979)
  • De moeder en de drie soldaten – Ernest Claes (BRT 1979)
  • Cantate (BRT 1985)
  • De ooggetuige (1994)
    • Prijs van het publiek op festival van Gent 1995

Romans[bewerken]

  • De bevrijding (Manteau 1981)
    • Prijs voor het beste literaire debuut 1982
  • De marsorder (Manteau 1983)
  • De code van Napoleon (Manteau 1984)
  • De ooggetuige (Manteau 1987 en Van Halewijck 1993)
  • De koning van de Kuba (Atlas Amsterdam 1997)
  • De matroesjka (Davidsfonds 2000)
  • De doublure (Davidsfonds 2002)
  • Wachten op Elena (Boek - 2006)

Externe links[bewerken]