Enoema Elisj

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Enûma Eliš)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Enoema Elisj ("wanneer in het hoge"; in wetenschappelijke literatuur: Enûma Eliš; Engels: Enuma Elish) is een oude Babylonische mythe die ons vertelt hoe de wereld is geschapen. Het is tegelijk een verheerlijking van de god Mardoek en de stad Babylon. De tekst is van groot belang omwille van zijn gelijkenis met het Bijbels scheppingsverhaal.

Deze tekst werd ontdekt in de 19e eeuw onder de vorm van gefragmenteerde kleitabletten in de ruïnes van de bibliotheek van Assurbanipal in Ninive (nabij het huidige Mosoel in Irak)

Deze versie van het verhaal, vermoedelijk daterend uit de 13e eeuw v.Chr., bestaat uit zeven tabletten met spijkerschrift. Het grootste deel van het vijfde tablet is nooit gevonden. Maar buiten deze lacune is de tekst zo goed als compleet.

Het verhaalt de opvoeding van Mardoek, de patroongod van de Babyloniërs, verheven boven alle andere Mesopotamische goden in die tijd, en eveneens het oude scheppingsverhaal.

Er zijn meerdere versies van de Enoema Elisj, de meest antieke neergeschreven versie stamt waarschijnlijk uit de 20e eeuw v.Chr.

Verhaal in het kort[bewerken]

de god Mardoek

In het begin bestonden alleen Tiamat, het zoute water, en Apsu, het zoete water. Toen zij zich vermengden ontstonden Lachmu en Lachamu. Dan vormden zich Ansjar en Kishar. Hun zoon Anu kreeg ook een zoon Ea, die veel sterker was dan Ansjar en Anu. Al deze nieuwe goden zorgen voor heel veel lawaai tot ergernis van Apsu die met zijn adjudant Mummu naar Tiamat gaat om haar over te halen hun nageslacht te vermoorden. Tiamat weigert echter en wat later geraken de andere goden op de hoogte van de plannen van Apsu. Ea grijpt echter in en maakt Mummu en Apsu onschadelijk. Op het lichaam van Apsu bouwt hij een stad en daar neemt hij een vrouw tot zich en verwekt Mardoek.

Ondertussen zint Tiamat op wraak en door het creëren van elf monsters onder leiding van Kingu ziet het er naar uit dat ze de overwinning zal behalen. De goden stellen echter Mardoek aan als oppergod en hij gaat het gevecht aan met Tiamat en haar knechten. Hij verslaat Tiamat en met de ene helft van haar maakt hij het dak van de hemel en met het andere de aarde. Hij bekleedt de hemel waar de goden in kunnen wonen. Vervolgens schept hij de dieren en de planten om te eindigen met de mens. De goden eren Mardoek door een tempel te stichten. In een feesthymne tenslotte krijgt Mardoek nog 50 andere namen en de privileges van Ea en Enlil toebedeeld.

Situering in tijd en ruimte[bewerken]

De Enoema Elisj bestaat uit verschillende versies, waaronder een Assyrische, Soemerische en Babylonische tekst. De eerste keer dat de tekst opduikt is bij de opgravingen van Layard, Rassam en George Smith in 1875 te Mesopotamië. Er worden kleitabletten gevonden in het paleis van Sennacherib en voornamelijk in het paleis van Assurbanipal te Ninive. Bij de laatstgenoemde worden voornamelijk literaire teksten teruggevonden zoals de Enoema Elisj. Deze teksten worden gesitueerd rond de 7e eeuw v.Chr. en vertonen heel wat gelijkenissen met de Babylonische verhalen met het opmerkelijkste verschil dat Mardoek, die enkele eeuwen voordien Ea verving, regelmatig vervangen wordt door Ashur, hun eigen god. In Babylonië en Assyrië kwam het hoogstwaarschijnlijk voor dat elke belangrijke stad zijn eigen versie had van het scheppingsverhaal waarin de stadsgod de held van het verhaal is.

Een oudere vondst werd gemaakt door Duitse opgravers die van 1902 tot 1914 fragmenten opgraven van een Assyrische versie van de Enuma Elish. Deze fragmenten die in de oude hoofdstad Assur opgegraven worden, dateren van rond 1000 v.Chr. Enkele jaren later zorgt een gezamenlijke expeditie van de universiteiten van Oxford en Chicago ervoor dat er twee bijna volledige tabletten, I en VI, worden ontdekt in Kish en in 1928-1929 vinden Duitsers de neo-Babylonisch Tablet VII in Uruk.

Door onder andere deze ontdekkingen en de andere teruggevonden fragmenten is bijna heel het scheppingsverhaal gereconstrueerd, alleen op het vijfde tablet ontbreekt nog een groot deel.

De bronnen waar we nu over beschikken zijn slechts kopieën en we kunnen ook maar gissen wanneer de oorspronkelijke tekst ontstaan is. We weten met zekerheid dat de tekst zeker al bestond rond duizend v.Chr. door de fragmenten die zijn teruggevonden in Assur. De tekst is echter veel verder in de tijd terug te situeren. Op een inscriptie van Agum II wordt er vermelding gemaakt van de elf monsters waarop we kunnen afleiden dat de tekst toen al verspreid was.

Er is echter nog een reden om aan te nemen dat de tekst vroeger bestaat. Aangezien het de bedoeling van de tekst was om de grootheid van Mardoek en dus Babylon aan te tonen, moeten we de tekst zijn oorsprong situeren tijdens de periode waarin Babylonië oppermachtig was in Mesopotamië. Dat brengt ons bij de Eerste Babylonische Dynastie, het Oud-Babylonische Rijk (1894-1595 v.Chr.)

Auteurs[bewerken]

Aangezien we niet over de oorspronkelijke tekst beschikken kunnen we de precieze naam van de auteurs niet meegeven. Hoogstwaarschijnlijk is het verhaal opgetekend door de Babylonische priesters voor de verering van de stadsgod Mardoek. Het gedicht heeft ook een politieke verklaring en daarin is de rol van de Babylonische koningen hoogstwaarschijnlijk ook van belang geweest.

Van de kopieerders van het scheppingsverhaal is al meer bekend. De meeste schrijvers stonden in dienst van de Assyrische koningen en werden gestuurd naar oude steden om kopieën te nemen van de literatuur die daar aanwezig was. De kopie ervan werd meegebracht naar Assyrië en daar bewaard in het paleis. In deze "bibliotheek" worden ze geklasseerd op plankjes volgens werk en onderwerp. Elke tafel was genummerd of de laatste zin werd herhaald op de volgende tablet. Meestal bevond er zich onder een colofon waarin er door de auteur enkele details worden toegevoegd zoals de naam van de auteur. Dankzij de ijver en de zorg van de schrijvers en de koningen voor het bewaren is het dankzij de Assyriërs dat we nog over deze bronnen kunnen beschikken.

Doel van de tekst[bewerken]

De Enoema Elisj is niet alleen een scheppingsverhaal, maar voor het grootste deel vertelt het de strijd die werd geleverd tussen de goden en de uiteindelijke overwinning van Mardoek (zoon van Enki). Het verhaal was een soort verheerlijking van Mardoek als de koning van de aarde. Het diende om de verkiezing en het oppergezag van Mardoek te legitimeren. Naast de bezinging en legitimatie van Mardoek was het de bedoeling om de claim van Mardoek als heerser over alle steden van de wereld te versterken en zo ook de claim van Babylon als stad van Mardoek en eveneens wordt het belang van Babylon in het verleden aangetoond als de stad die Anunnaki bouwde als woonplaats voor de goden. Daarmee heeft het verhaal ook een politiek karakter gekregen.

Het Babylonische scheppingsverhaal was natuurlijk ook een mythe en aan de hand van het verhaal tracht/en de schrijver/s een verklaring te geven voor de natuurfenomenen die de Babyloniërs niet begrepen.

Gelijkenissen met het (Hebreeuws-)Bijbelse scheppingsverhaal[bewerken]

Er zijn al snel parallellen tussen de twee verhalen duidelijk geworden, en de gelijkenissen die bestaan tussen hen laten vermoeden dat er meer is dan toeval. Dit is ook begrijpelijk, wanneer men de chronologie in beschouwing neemt. De meest antieke neergeschreven versie van het Enoema Elisj stamt waarschijnlijk uit de 20e eeuw v.Chr., terwijl de meeste delen van de Bijbel zijn neergeschreven tijdens de Babylonische ballingschap ca. 6e eeuw v.Chr.[bron?]

Allereerst beginnen beide verhalen vanuit een fase van een soort waterachtige chaos. Voor de Babyloniërs als levende materie met de verpersoonlijking van Tiamat en Apsu terwijl het voor Joden levenloos water is.

Eveneens is er de gelijkenis voor het woord water Tiamat en het Hebreeuwse tehom. Ook qua fases zijn er veel gelijkenissen. Eerst is er een fase van duisternis, daarna is er licht en daarna wordt de hemel op een gelijkaardige manier geschapen in de Joodse en de Babylonische versie, namelijk het splitsen van de wateren. Vervolgens wordt de aarde geschapen, waarna de sterren worden gecreëerd. Hierin verschillen beide culturen doordat voor de Babyloniërs de sterren woonplaatsen zijn voor de goden, en voor de Joden de sterren niets anders zijn dan lampjes aan de hemel. Tenslotte beëindigen beide de schepping met de mens, met als verschil dat in het Joodse scheppingsverhaal de mensen de climax van het verhaal zijn (de mensen zijn geschapen naar Gods gelijkenis), terwijl in het Enoema Elisj de goden dat zijn (de mensen zijn de slaven van de goden).

Er vallen ook heel wat verschillen op te merken tussen beide verhalen. Zo is er voor de Joden geen plaats voor de gevechten die plaatsvonden tussen de goden, tenzij de strijd met de Leviathan, en geeft men in het Babylonische scheppingsverhaal bijna niets weer van de schepping van dieren en planten. Wel is het mogelijk dat het stuk van dat verhaal zich daar bevindt op het ontbrekende deel van de vijfde tafel.

De tekst eindigt met een lijst van vijftig namen die aan Mardoek worden gegeven door aanbidders die de god aanroepen.

Bronnen en literatuur[bewerken]

  • Brandon, Creation Legends of the Ancient Near East.
  • Brongers, De literatuur der Babyloniërs en Assyriërs, Den Haag.
  • Heidel A., The Babylonian Genesis, 1951.
  • King L.W., Babylonian Religion and Mythology, 1899.
  • King L.W., The Seven Tablets of Creation, London, 1902 (2 volumes).
  • Lambert W., A New look at the Babylonian Background of Genesis, 1976
  • Langdon S., The Babylonian Epic of Creation, 1923.
  • Lebat R., Le poème babylonien de la création, RPO, 1970, 36-70
  • Roux, G., La Mésopotamie Ancienne, 1985.
  • Schepel, S., Enuma Elisj, 2002, ISBN 90 202 1962 6

Externe links[bewerken]