Erasme Louis Surlet de Chokier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baron Surlet de Chokier

Erasme Louis Surlet de Chokier (Luik, 27 november 1769 - Gingelom, 7 augustus 1839) was een Belgisch politicus en edelman. Hij werd in 1816 als baron opgenomen in de Nederlandse adel. Tevens was hij, als regent, het eerste staatshoofd van België.

Levensloop[bewerken]

Erasme Louis Surlet de Chokier behoorde tot een oud geslacht van Luikse adel. Erasme Chokier en zijn drie broers verkregen in 1623 adelsbevestiging, vermeerderd in 1630 voor Erasme met een riddertitel. De vijf zoons van Erasme, onder wie drie kanunniken in Luik, kregen in 1668 de op alle nazaten overdraagbare titel van 'baron de Saint Empire' en in 1745 mocht Arnould Chokier, grootvader van de hier behandelde Erasme Louis, een 'de' voor zijn naam schrijven.

Zijn ouders waren Jean-Arnold de Chokier, heer van Gingelom, advocaat en gemeenteraadslid van Luik, en Marie-Gertrude Desprez. Zoals veel van zijn ooms, grootooms en nog eerdere verwanten bestemde hij zich voor het priesterschap maar bij het uitbreken van de omwenteling in het prinsbisdom (18 augustus 1789) verliet hij het seminarie en sloot zich aan bij de tegenstanders van prinsbisschop Hoensbroeck. Hij werd adjudant van generaal Donceel (1761-1840) die de Oostenrijkse dienst verliet om de zijde van de Luikse patriotten te kiezen. Vervolgens stapte hij over naar het legertje van de Verenigde Belgische Staten en werd er luitenant. Toen zowel de Luikse als de 'Belgische' troepen door de Oostenrijkers werden verslagen, vluchtte hij naar Breda. In 1792 keerde hij terug naar Gingelom en woonde er voortaan zonder zich verder met politiek te bemoeien. Hij gebruikte zijn tijd om zijn bezit aan onroerende goederen te doen aangroeien, onder meer door de aankoop van 'zwart goed'. Hij werd opgetekend als de op vier na rijkste burger van het departement Nedermaas.

Toen in 1797 de hardste kanten van de Revolutie aan het verminderen waren, kwamen meer gematigde besturen aan de macht en werd Surlet tot één van de beheerders van het departement Nedermaas verkozen. In september van dat jaar nochtans verhardde het Tweede Directoire zijn houding en alle voormalige edellieden werden afgezet, ook als ze, zoals Surlet, argumenteerden dat ze de wapens hadden opgenomen tegen de machthebbers van het Ancien Regime. Op 3 januari 1798 werd hij als lid van de centrale administratie van het departement ontslagen.

Consulaat en keizerrijk[bewerken]

Het Consulaat en later het keizerrijk waren twee regimes waar Surlet het goed kon mee vinden. In 1800 werd hij op 31-jarige leeftijd benoemd tot burgemeester van Gingelom en op 1 juni werd hij weer lid van de departements- en de arrondissementsraad (departement Nedermaas). Hij verbleef voortaan regelmatig in Parijs, waar hij samen met een heer Kaisson uit Verviers bankzaken verrichtte. Vooral kreeg hij bekendheid als specialist van de wetenschappelijk verbeterde methodes op het gebied van landbouw en veeteelt. In zijn thuisbasis speelde hij een pioniersrol in het kweken van merinoschapen. In 1808 werd hij lid van de commissie die het ontwerp van 'Code Rural' besprak.

In het Luikse kreeg hij steeds meer bekendheid. Als gevolg hiervan werd hij in 1809 aangesteld als kapitein van de 'Garde Nationale' en in Sint-Truiden werd hij beheerder van het Bureau van Weldadigheid en van de Burgerlijke Godshuizen. In Luik zetelde hij in 1811 in een commissie die, onder het voorzitterschap van de bisschop, het herstel van kerken en pastorieën in het departement moest regelen. Als hoogtepunt kwam het jaar 1812 met zijn verkiezing tot voorzitter van de algemene raad van het departement en kort daarop zijn verkiezing tot lid van het 'Corps Législatif'. Hij bleef dit ambt uitoefenen tot op 30 maart 1814 en was ondertussen ook nog benoemd tot lid van de Raad van State in buitengewone dienst.

Verenigd Koninkrijk[bewerken]

Toen de geallieerden in 1814-15 het bestuur in de Zuidelijke Nederlanden overnamen was hij natuurlijk welbekend als zeer Fransgezind maar dat bleek geen bezwaar. De eerste taak die hem werd opgedragen was de nieuwe Grondwet bij de kiezers in Hasselt te gaan aanbevelen en de kiesverrichtingen voor te zitten. Hij had geen groot succes, want de kiezers stemden in meerderheid tegen de Grondwet. Dit werd hem niet ten kwade geduid en hij werd onmiddellijk lid in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van het Verenigd Koninkrijk. Hij had geen bezwaren tegen de grondwettelijke eed en negeerde het 'Jugement doctrinal' van het Belgisch episcopaat dat het afleggen van de eed aan katholieken verbood. Het jaar daarop werd zijn adellijke status bevestigd en werd hij in de Limburgse ridderschap opgenomen, met de (niet-overdraagbare) titel van baron. Het ene en het andere maakte van hem één van de belangrijkste en meest invloedrijke Limburgers.

In de Tweede Kamer speelde Surlet een merkwaardige rol. Het viel op dat hij zijn standpunten verdedigde in agressieve en bitsige uitvoerige redevoeringen. Hij behoorde dus duidelijk tot de kleine groep van de 'opposanten' of 'onafhankelijken', hoewel hij zich in zijn stemgedrag niet bepaald extreem opstelde, ook al niet omdat hij tamelijk vaak afwezig was. Zijn stokpaardjes waren vooral de eerbiediging van de parlementaire procedures en de te grote macht van de regering en de koning. Op het einde van de eerste drie jaar van zijn mandaat werd Surlet, die de bijnaam had gekregen van 'Surlet de Choquant' (Surlet de ergerlijke) als een lastig element beschouwd en de Limburgse gouverneur Charles de Brouckère kreeg de wenk een herverkiezing te verhinderen. Hij slaagde in die opdracht. In 1821 poogde Surlet opnieuw verkozen te worden, maar opnieuw was het De Brouckère die dit belette.

Het proces tegen Jean-François Hennequin had ondertussen de reputatie van Surlet als opposant nog verstevigd. Hennequin was burgemeester van Maastricht en had een bevel van de koning over de betalingen aan de Burgerwacht naast zich neergelegd. Hij werd voor het Hof van Assisen in Luik gedaagd en werd er verdedigd door Surlet, samen met Charles Destouvelles en Etienne de Sauvage. Hennequin werd vrijgesproken en Surlet kwam bij de regering nog méér in een slecht daglicht te staan, omwille van de agressieve taal die hij had gesproken. De beschuldigde en zijn drie advocaten zouden elkaar in 1830 terugvinden als leden van het Nationaal Congres.

Het belette niet dat Surlet toenadering zocht en in brieven aan minister Falck verzoenende woorden sprak. Het resultaat bleef niet uit. In 1824 werd hij tot schout benoemd en in 1825 opnieuw tot burgemeester van Gingelom. Maar ondertussen was de oppositie in de Zuidelijke Nederlanden aan het groeien en Surlet sloot zich aan bij de voorstanders van het 'unionisme' tussen katholieken en liberalen. Hij stelde zich in 1828 kandidaat voor de Tweede Kamer en ditmaal werd hij verkozen, ondanks de pogingen van de Brouckère om dit te verhinderen. Na die nederlaag nam de gouverneur onmiddellijk ontslag.

Het was een strijdlustige Surlet die voortaan bijna bestendig op de vergaderingen aanwezig was en er bij elk belangrijk discussiepunt het woord voerde en kritiek uitoefende op nagenoeg alle aspecten van het regeringsbeleid. Omwille van zijn allerschandelijkste en zelfs revolutionaire taal werd hij als één van de belangrijkste vijanden van het regime beschouwd. Dit was wel overdreven want, ook al was hij gaandeweg gewonnen voor een bestuurlijke scheiding tussen Noord en Zuid, hij bleef voorstander van het Verenigd Koninkrijk. In augustus 1830 voegde hij zich niet bij de voorstanders van de scheuring. In september trok hij naar de extra-zitting van de Tweede Kamer in Den Haag, waar hij zijn zienswijze verwoordde: behoud van de Oranjedynastie en van een gemeenschappelijk beleid inzake financies, landsverdediging, marine en kolonies, terwijl justitie, onderwijs, eredienst, openbare werken moesten gescheiden worden. Zijn stellingen werden al vlug achterhaald toen het Voorlopig Bewind werd gevormd en de onafhankelijkheid uitgeroepen. Pas na 16 oktober, toen de kroonprins aan zijn raadgevers, onder wie Surlet, toestemming gaf zich kandidaat te stellen voor het Nationaal Congres, keerde deze zich van de Oranjes af. Hij stelde zich kandidaat in het arrondissement Hasselt en werd verkozen.

Belgisch koninkrijk[bewerken]

De verkozenen vanuit Limburg voor het Nationaal Congres waren hoofdzakelijk edellieden, gematigde heren die tot onderhandelingen met Oranje geneigd waren. Tijdens de eerste zitting van het Nationaal Congres werd Surlet tot voorzitter gekozen. Hij werd met een 'liberaal' etiket voorgedragen, tegen de katholiek Etienne de Gerlache. Er waren toch nog drie stemronden nodig en het vroeg enige tijd om Surlet als een centrumfiguur te doen aanvaarden.

Surlet kwam als voorzitter niet tussen in de debatten, tenzij voor dienstmededelingen. Hieruit was zijn persoonlijke mening niet af te leiden. Die bleek al evenmin uit zijn kiesgedrag. Hij stemde als voorzitter altijd de laatste en bracht steeds zijn stem uit met de meerderheid. Zo komt het dat hij tegen zijn overtuiging stemde voor de uitsluiting van de Nassaus van de Belgische troon. Hij stemde voor het erfelijk koningschap en voor een verkozen senaat. Op 25 januari 1831 liet hij zich wel wat duidelijker kennen, door één van de 51 indieners te zijn van het voorstel om Lodewijk van Orléans, de hertog van Nemours tot koning van België te kiezen. De verkiezing van deze kandidaat draaide op niets uit, omdat Lodewijks vader, Lodewijk Filips van Frankrijk, tegen deze benoeming was, onder druk van de grote mogendheden.

Toen het duidelijk werd dat het vinden van een passende kandidaat nog enige tijd zou vergen, besliste men, in overeenstemming met de pas goedgekeurde grondwet, een regent te verkiezen. Veel speelde in het voordeel van Surlet: zijn prestige als voorzitter van het Congres, het feit dat hij aanvaardbaar was voor links en voor rechts, dat hij op het internationale vlak niet deelde in de slechte reputatie die de harde nationalistische fractie had en dat de adel niet wilde van de als te ambitieus beschouwde tweede kandidaat, Félix de Mérode.

Toen hij verkozen werd zag het er niet zo best uit voor het nieuwe land. Binnenlands trad radicalisering in na de (mislukte) orangistische staatsgreep van Grégoire en Van der Smissen in februari-maart 1831. Internationaal lag Groot-Brittannië dwars, omdat ze een te grote toenadering tot Frankrijk vaststelde. Het Voorlopig Bewind werd onpopulair omwille van de verslechterende economische toestand. In dit klimaat vervulde Surlet zijn grondwettelijke functie op uiterst voorzichtige en minimalistische wijze, uit respect voor de grondwet volgens de enen, uit onbekwaamheid volgens de anderen.

De toenadering met Groot-Brittannië en de kandidatuur van Leopold van Saksen Coburg stemde niet overeen met de zienswijze van Surlet, die voor toenadering met Frankrijk was, maar hij kon er ook niets tegen ondernemen. Toen op 4 juni 1831 voor Leopold werd gestemd, liet hij weten zelf geen kandidaat te zijn. Hij kreeg toch nog 14 stemmen op zijn naam. In de daaropvolgende weken uitte hij zijn pessimisme over de verdere evolutie. Hij vreesde oorlog, omdat hij dacht dat het Congres de XVIII artikelen niet zouden goedkeuren. Hij vond dat alleen aanhechting bij Frankrijk de vrede kon garanderen. Een Belgisch koninkrijk met Leopold als koning had weinig overlevingskansen vond hij.

Het liep dan toch beter af dan Surlet had gevreesd. Er kwamen enkele schermutselingen maar geen oorlog, de XVIII artikelen werden goedgekeurd, Leopold aanvaardde de troon en op 21 juli 1831 legde hij de grondwettelijke eed af. Surlet werd uitvoerig bedankt voor de bewezen diensten en met een pensioen van tienduizend gulden per jaar naar Gingelom uitgewuifd. Tot aan zijn overlijden leefde de vrijgezel Surlet teruggetrokken op zijn kasteel en bleef hij alleen nog burgemeester van Gingelom.

Later eerbetoon[bewerken]

Brabançonnebeeld op het Surlet de Chokierplein in Brussel. Op de achtergrond het gebouw van de Franse Gemeenschapsregering.

In Brussel werd een plein naar hem genoemd: het Surlet de Chokierplein (vlak tegenover het Madouplein). Het plein wordt gesierd door een bronzen standbeeld waarbij een vrouw wordt afgebeeld die fier de Belgische vlag omhoog steekt. Op de sokkel is een plaat bevestigd met daarop, in het Frans en in het Nederlands, de eerste drie alinea's van de Brabançonne. Het beeld werd gecreëerd door de beeldhouwer Charles Samuel en werd op 16 november 1930 ingehuldigd. De Franse Gemeenschapsregering is op dit plein gevestigd op de nrs. 15-17.

Sinds december 2000 wordt er in Gingelom een lokaal bier verdeeld dat speciaal naar hem "De Chokier" genoemd werd (gebrouwen in de Proefbrouwerij te Lochristi). Zijn kasteel staat nog steeds in Gingelom en verder is er ook een café met dezelfde naam in Gingelom. De spoorwegbrug over de Sint-Truidense steenweg zou op aandringen van Surlet De Chokier gebouwd zijn.

Literatuur[bewerken]

  • Th. JUSTE, Les fondateurs de la monarchie belge, Brussel, 1867
  • Th. JUSTE, Erasme Surlet de Chokier, in: Biographie Nationale de Belgique, T. IV, 1873, col. 78-93
  • P. HYMANS, Quel homme était donc le baron Surlet de Chokier?, in: Les Cahiers historiques, 1963, blz. 52
  • Luc FRANÇOIS, Erasme Surlet de Chokier, in: Het Oude Land van Loon, 1988, blz. 5-26.
Bronnen, noten en/of referenties