Erik Verlinde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Erik Verlinde in 2009

Erik Peter Verlinde (Woudenberg, 21 januari 1962) is hoogleraar in de theoretische fysica aan de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich voornamelijk op de snaartheorie en hiermee samenhangende theorieën, zwaartekracht, zwarte gaten en kosmologie.

Broer Herman Verlinde en studie[bewerken]

Erik is de eeneiige tweelingbroer van Herman Verlinde, eveneens snaartheoreticus, en hoogleraar theoretische fysica aan de gerenommeerde Princeton-universiteit, waar ook Erik een tijd hoogleraar is geweest. In 2011 ontving Erik de prestigieuze Spinozapremie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor een viertal grote wetenschappelijke doorbraken die hij op zijn naam heeft staan.

Verlinde studeerde natuurkunde aan de Universiteit Utrecht en promoveerde er bij nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft. Hij heeft zijn eigen gravitatietheorie ontwikkeld, die geldt als een alternatief voor de oerknaltheorie. Hij verklaarde zelfs dat hij de bigbangtheorie onlogisch vindt. Volgens hem zit het probleem in het energiebehoud. Dit zou komen doordat het heelal een constante energiedichtheid heeft en er steeds meer energie aan toegevoegd wordt, zonder dat fysici kunnen motiveren waar deze vandaan komt. Wat hem betreft, is het zuiver een kwestie van vormen van energie die in elkaar overvloeien.[bron?]

Verlindes theorie van de zwaartekracht[bewerken]

Op een symposium op het Spinoza-instituut op 8 december 2009 introduceerde Verlinde een nieuwe theorie waarmee zowel Newtons gravitatiewet als diens tweede versnellingswet (F = m·a) op betrekkelijk eenvoudige wijze kunnen worden afgeleid uit verschillen in informatiedichtheid in de lege ruimte tussen twee massa's en daarbuiten.

In deze theorie is zwaartekracht niet langer een fundamentele kracht. Het is het emergente effect van een diepere microscopische realiteit op kwantummechanisch niveau. Zelf vergelijkt Verlinde het met de luchtdruk: de moleculen waaruit het gas bestaat kennen zelf geen luchtdruk, dit is louter de eigenschap van het gas, als emergentie van de vele bewegende gasmoleculen.

Volgens Verlinde is de theorie van de oerknal uit het niets zeer onbevredigend.[1] Hij verwerpt de donkere materie als correctie voor de te hoge waargenomen hoeksnelheid van de baanbeweging van buitenste sterren in spiraalstelsels om die snelheden in overeenstemming met de wetten van Newton te brengen. Hij bedoelt met zwarte materie en zwarte energie iets anders: een aanwezigheid van iets (die diepere microscopische realiteit) dat zeer dicht bij het idee van een alles doordringende aether ligt, dat o.a. de oorzaak van het emergente verschijnsel van de zwaartekracht is.

Een analogie voor de zwaartekracht volgens Verlindes theorie is de kracht die schepen naar elkaar toe drijft die dicht bij elkaar in het water liggen. Dat effect ontstaat doordat er netto meer golven om de schepen heen aanwezig zijn dan ertussen. Tussen de beide schepen passen namelijk geen golven met een langere golflengte dan de afstand tussen de beide schepen. Een vergelijkbaar effect speelt een rol bij het Casimireffect.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties