Esdorp
Een esdorp of brinkdorp is een van de dorpsvormen op de zandgronden in Nederland, over het algemeen ontstaan in de Hoge Middeleeuwen.
Esdorpen zijn te vinden in Drenthe, zoals Dwingeloo, Orvelte of Gees, in Salland, Twente, de Achterhoek, onder andere Vragender en het Groningse Westerwolde, zoals Sellingen. Ook de steden Assen, Emmen en Groningen zijn van oorsprong esdorpen. Twee Friese brinkdorpen zijn Bakkeveen en Veenklooster.
Een ander gebied met oorspronkelijk esdorpen is het Gooi (b.v. Laren) en de Utrechtse Heuvelrug. Verspreid over Noord-Brabant en Limburg liggen ook enkele esdorpen, zoals Liempde, Merselo, Sevenum en Sint Anthonis. En ook op de Veluwe zijn veel esdorpen te vinden. Langs de westrand van de stuwwal van de Veluwe ligt een hele rij: Wageningen, Bennekom, Ede, Lunteren.
[bewerken] Gemeenschappelijke kenmerken
Esdorpen hebben een aantal overeenkomsten:
- een brink.
Oorspronkelijk lag zo'n brink aan de rand van het dorp (vergelijk het Engelse brim = "rand") waar de koeien en schapen 's avonds en 's ochtends bijeenkwamen. Op die brink plantte men eiken of populieren om te gebruiken als bouwmaterialen. Door de groei van de dorpen kwam die brink later vaak in het centrum van het dorp te liggen. Bovendien vonden op de brink wel markten plaats, waardoor het een centrale functie kreeg. Het moet onderscheiden worden van het vroeg-middeleeuwse tij, dat meestal een meer menselijke functie had, en dus niet voor het vee. De aanwonenden of gelanders waren gezamenlijk eigenaar van de brink en van de es (zie hierna). Deze oorspronkelijke beheersvorm komt nu nog sporadisch voor, zoals in Den Hout (provincie Noord-Brabant). - een es.
De es was de gemeenschappelijke akker. Vaak ligt deze wat hoger dan het dorp. Die hoge ligging is deels ontstaan door de wijze van bemesting van de essen, en deels doordat de locaties van zichzelf al hoger lagen. - een beek.
In beekdalen werd over het algemeen het hooi geteeld om als wintervoer voor het vee te dienen. - Langs de beek liggen madelanden (weilanden, vergelijk het Engelse meadow) en hooilanden.
Die madelanden werden gemeenschappelijk beweid door koeien. De nattere hooilanden werden eens per jaar gemaaid. - het veld (heide).
Op het veld werden de schapen van het dorp gehoed door de dorpsherder. Diverse namen wijzen nog op de relatie tussen dorp en veld, zoals Dwingelderveld (het veld van Dwingeloo, nu een nationaal park) en Orvelterveld (het veld van Orvelte, nu een landbouwgebied met nieuwe boerderijen). - de boerderijen staan bij elkaar in het dorp.
[bewerken] Ontstaan
Het esdorpenlandschap is in het verleden vaak als een vrij statisch model beschouwd. Dit model werd in 2004 bekritiseerd in het proefschrift van de Groningse hoogleraar Theo Spek, Het Drentse Esdorpenlandschap.[1]
De onderdelen van het model blijken een zeer diverse ouderdom te hebben, en dus niet als één geheel ontstaan te zijn. Zo werd de plaggenbemesting pas vele eeuwen na het ontstaan van de essen ingevoerd, en bestaat er ook op internationaal niveau geen strakke ruimtelijke en historische band tussen beide fenomenen. Spek ontkrachtte tevens het morfogenetische model van Keuning uit 1936. Deze thans als verouderd beschouwde beschouwingen over de ontwikkeling van esdorpen en de bijbehorende landschaps- en nederzettingstypologie zijn decennialang gebruikt bij het onderzoek naar landelijke nederzettingen in Oost-Nederland. Uit deze typologie stammen nog veel voorkomende benamingen als kernesdorp, kransesdorp, flankesdorp en essenzwermdorp.
Bronnen
|