Establishment

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder establishment wordt over het algemeen verstaan: de gevestigde orde; de groep van personen die het geheel van institutionele, politieke, culturele, juridische en economische hefbomen in handen heeft, en deze macht uiteraard ook wenst te bestendigen. Ze hangt dus nauw samen met elites en kringen waarbinnen de leden ervan elkaar frequenteren (vrijmetselaarsloges, exclusieve clubs, allerlei lobby's).

De term kreeg sinds de jaren 50 van de twintigste eeuw, onder invloed van filosofen als Jean-Paul Sartre en Herbert Marcuse, een uitgesproken pejoratieve betekenis, en werd een sleutelbegrip in de maatschappijkritiek van de naoorlogse Europese linkerzijde. Anderzijds heeft de kritische beweging ook een rechts-populistische tak en werd politiek zelfs een beduidende factor, met onder meer Pim Fortuyn in Nederland, Jean-Pierre Van Rossem in België en nadien het Vlaams Blok (het huidige Vlaams Belang), dat zich vooral tegen het Belgisch establishment keert, als emanatie van de Franstalige dominantie over de Vlaamse meerderheid. Via de Dutroux-affaire en de daaropvolgende Witte mars werd het Belgisch establishment geconfronteerd met een brede maatschappelijke onderstroom die zich tegen haar keerde, wat aanleiding gaf tot tal van netwerk- en complottheorieën.

Anti-establishment-attitudes zijn nochtans zeer oud, men vindt ze al terug bij de Griekse cynici (Diogenes van Sinope) en Socrates. In de moderne filosofie is vooral Jean-Jacques Rousseau een gangmaker van het anti-institutionele denken. Hij vindt navolgers bij onder meer Friedrich Nietzsche (die zich ‘aristocratisch’ opstelt maar tegelijk tegen elke gevestigde orde culturele en sociale orde fulmineert) en de anarchistische denkers (Michail Bakoenin, Pierre-Joseph Proudhon).

Sinds de jaren 60 van de twintigste eeuw worden kunstenaars geacht om zich kritisch op te stellen tegenover het establishment, waardoor ze tegelijk opnieuw een cultureel establishment vormen.