Æthelbald van Mercia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Ethelbald van Mercia)
Ga naar: navigatie, zoeken
Æthelbalds naam op het Ismere Diploma, een handvest uit 736

Æthelbald was koning van Mercia (Engeland) van 716 tot 757. Hij fungeerde ook als Bretwalda.

Æthelbald bracht zijn jeugd door in ballingschap, volgens zijn biografie door Guthlac van Crowland, die hem en zijn volgelingen vaak onderdak en bescherming bood. Na de dood van Coelred keerde hij terug als diens opvolger.

Æthelbald vestigde met succes de macht van Mercia over het zuiden van Engeland. In het begin van zijn periode was de invloed van Wessex nog zeer groot, maar na de dood van koning Ine van Wessex in 726 veranderde dit. Er ontstond onenigheid over zijn opvolging. Nadat Æthelheard (koning van Wessex van 726 tot 740) de troon had opgeëist, moest hij genoegen nemen met een regering onder het gezag van Mercia. Dit kan het gevolg zijn geweest van het feit dat Æthelbald zijn aanspraak op de troon had gesteund. Niettemin was er sprake van wrijving, aangezien Æthelbald naar Wessex optrok.

Ook maakte Æthelbald gebruik van de afwezigheid van Eadberht van Northumbria (die in gevecht was gewikkeld met de noordelijke Picten) om diens gebied binnen te vallen en York plat te branden.

Gedurende zijn hele regeringsperiode was hij in strijd met de Welsh. In 722 werd Mercia door hen verslagen. In 743 trokken Æthelbald en Æthelheards opvolger Cuthred samen op tegen de Welsh.

Cuthred was vastbesloten de hegemonie van Mercia over Wessex te beëindigen en hij versloeg Æthelbald in een slag in 752. Dit bracht enig jaren van redelijke onafhankelijkheid, maar aan het eind van zijn leven wist Æthelbald de oude situatie te herstellen.

In 746 of 747 ontving Æthelbald een brief van Bonifatius, de bisschop van Mainz, waarin hem zijn gedrag werd verweten ten opzichte van kerkelijke eigendommen en nonnen. Ook zou hij volgens deze brief een slecht voorbeeld zijn voor zijn onderdanen.

Overlijden[bewerken]

In 757 werd Æthelbald in Seckington, Warwickshire, ter dood gebracht. Dit plaatsje lag vlakbij de koninklijke zetel van Tamworth. Volgens een latere voortzetting van Beda's Ecclesiastical History werd hij 's nachts verraderlijk vermoord door zijn eigen lijfwacht. De redenen voor deze toch wel drastische daad wordt niet vermeld.[1] De aanleiding was wellicht een vete, maar het kan ook het werk zijn geweest van zijn kortstondige opvolger Beornred of Beornrad. Æthelbald werd begraven in Repton, in een crypte die nog steeds te zien is; een tijdgenoot rapporteert een visioen te hebben gekregen, waar hij Æthelbald in de hel zou hebben gezien. Dit versterkt de indruk van een koning die niet overal even geliefd was.[2] De kloosterkerk in Repton werd waarschijnlijk in opdracht van Æethelbald zelf gebouwd om als koninklijk mausoleum te dienen; onder de andere graven in de crypte is ook die van Wigstan[3][4]

Voetnoten[bewerken]

  1. De "voortzetting van Bede" is door andere handen dan Bede's, hoewel de eerste paar bijdragen van Bede zelf zijn.Bede's Ecclesiastical History of England: Christian Classic Ethereal Library.
  2. Kirby, Earliest English Kings, blz. 134
  3. Swanton, The Anglo-Saxon Chronicle, blz. 48-49.
  4. Fletcher, Who's Who, blz. 116.
Voorganger:
Coelred of Coelwald
Koning van Mercia

Ethelbald

Opvolger:
Beornred.