Ethica (Spinoza)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ethica, titelpagina

Ethica, Ordine Geometrico Demonstrata (Ethiek volgens een geometrische methode uiteengezet) is een filosofisch boek van Baruch Spinoza dat algemeen als zijn magnum opus wordt beschouwd. Het werd geschreven in het Latijn en in 1678 postuum gepubliceerd.[1] Het thema van dit boek is het achterhalen van de rationele opbouw van het universum en de plaats van de mens daarin. Het is evenzeer een werk over metafysica als over ethiek. Veel onderwerpen die erin behandeld worden had Spinoza al in eerdere publicaties behandeld. De geometrische methode en de logische opbouw versterken het beeld dat het bedoeld was als een afgerond geheel.

In de Nederlandse Republiek stond het denken en zelfs de godsdienst veelal in het teken van de handel en de zeevaart. Daar gaat Spinoza tegenin. De filosofie moet als levensleer dienst doen. In theologische kringen, vooral in Duitsland, was Spinoza daarom een hinderlijke pantheïst of atheïst.

Opbouw van de Ethica[bewerken]

De Ethica is opgebouwd volgens de geometrische methode, wat impliceert dat vanuit definities, postulaten en axioma's alle proposities middels demonstraties worden bewezen.

Eerste deel[bewerken]

Pars prima - eerste deel (De Deo - over God). - In het eerste deel ontvouwt Spinoza zijn metafysische inzichten. Spinoza bewijst dat er slechts één substantie kan bestaan, die hij "God" of "Natuur" noemt. Hiermee neemt hij afstand van het Cartesiaanse dualisme en het joodse, christelijke en scholastieke dogma van de transcendentie van God. Hij beschouwt dit vanuit een deterministisch perspectief, waarin hij teleologie radicaal ontkent: als de reeks van werkende oorzaken teruggevoerd kan worden tot een eerste oorzaak, die traditioneel God genoemd werd, dan is die oorzaak noodzakelijkerwijs zijn eigen oorzaak (causa sui). Deze eerste oorzaak noemt Spinoza ook de naturende natuur (natura naturans), die de genatuurde natuur (natura naturata) voortbrengt; volgens Spinoza zijn deze twee identiek. Daarmee is de basis gelegd voor zijn naturalisme. Hij bewijst zijn these door uit te gaan van de Anselmiaanse godsdefinitie id quo maius nihil cogitari potest, ofwel, datgene dan wat zich niets hogers denken laat. Spinoza's versie is ens absolute infinitum, hoc est, substantiam constantem infinitis attributis, quorum unumquodque aeternam, et infinitam essentiam exprimit[2], ofwel, een volstrekt oneindig zijnde, dat wil zeggen een substantie die uit oneindige attributen bestaat, waarvan ieder een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt. Uit deze definitie volgt middelijk zijn bewijs voor het bestaan van slechts één substantie: aangenomen dat twee substanties met dezelfde attributen in werkelijkheid volledig identiek zijn en daarbij aangenomen dat er één substantie bestaat die alle attributen bezit, kan er slechts één substantie bestaan.

Spinoza onderscheidt van deze enige kenbare en bestaande substantie de attributen denken en uitgebreidheid, die beide dezelfde essentie uitdrukken. Alle ideeën zijn modi van denking en alle objecten zijn modi van uitgebreidheid. Aangezien een adequate idee noodzakelijkerwijs met het voorgestelde object overeenkomt bestaat er een parallellie[3] tussen de reeksen modi van verschillende attributen, waardoor het voor Spinoza mogelijk is te zeggen dat de verschillende attributen op verschillende wijzen dezelfde essentie van de ene substantie uitdrukken.

Voor de theologen van zijn tijd was de identificatie van God en Natuur uitzonderlijk. Voor hem is God niet antropomorf te verstaan, niet als een persoon met gedachten en gevoelens, die de wereld met zijn "fiat" geschapen zou hebben.

Tweede deel[bewerken]

Pars secunda - tweede deel (De Natura et Origine Mentis - over de aard en de oorsprong van de geest). - Hier begint Spinoza met definities van begrippen als lichaam, geest, idee, werkelijkheid. In de eerste proposities werkt Spinoza het parallellisme van denking en uitgebreidheid verder uit en werkt langzamerhand naar de definitie van de geest toe. Hij definieert de geest[4] als een deel van het oneindig verstand van God, ofwel, een modus van het attribuut denking. Omdat, per pars prima, alle attributen dezelfde essentie van de substantie uitdrukken, of, vanuit een ander perspectief belicht, ieder adequaat idee noodzakelijkerwijs met een modus van uitgebreidheid correspondeert, is ook de geest aan een modus van uitgebreidheid verbonden. Spinoza bepaalt deze modus [5] tot het lichaam.

De daarna volgende uitweiding is het beroemde fysische intermezzo: Spinoza voert nieuwe definities en axioma's in om de natuur van uitgebreide lichamen -enkelvoudig, samengesteld; hard, zacht, vloeibaar- te onderzoeken.

Vervolgens beschouwt hij de verhouding tussen de attributen -de geest kent het lichaam niet, maar slechts ideeën van de prikkels of aandoeningen; evenzeer voor alle overige uitgebreide lichamen- en gaat over tot de ideae idearum: ideeën van ideeën. De passage is grotendeels analoog aan zijn beschouwing in de Tractatus de Intellectus Emendatione, hoewel het in de Ethica systematisch in zijn metafysica ingebed wordt. Zoals in het oneindig verstand van God van ieder ding een idee bestaat, bestaat ook van ieder idee een idee, en van dat idee wederom een idee, et cetera, ad infinitum. De menselijke geest kent deze ideeën niet en behoeft ze ook niet te kennen om zekerheid te verwerven. Na deze poging tot weerlegging van scepticisme gaat Spinoza over tot een analyse van waarheid. Ware kennis is niet meer dan de adequate idee van een object; onware kennis is niet iets dat bestaat, maar een gebrek dat inadequate en verwarde ideeën met zich meebrengt. Wat volgt uit een waar idee is noodzakelijkerwijs ook waar.

Het laatste deel van het tweede deel behandelt kentheorie, eerst een genealogie van abstracta en vervolgens een indeling van kennissoorten: 1. vage ervaring en tekenen, 2. discursief redeneren en 3. intuïtief inzicht. Alleen de laatste twee soorten kennis zijn bruikbaar. De menselijke geest heeft adequate kennis van het eeuwige en oneindige wezen van de substantie. Het verstand en de wil zijn hetzelfde, namelijk de affirmatie van een idee. Spinoza besluit het deel met een uiteenzetting van de voordelen van zijn theorie met betrekking het individu en de samenleving.

Derde deel[bewerken]

Pars Tertia - derde deel (De Origine et Natura Affectuum - over de oorsprong en de aard van emoties). - Spinoza neemt zich in dit deel voor "de menselijke handelingen en de begeerten [te] beschouwen als betrof het een vraagstuk van lijnen, vlakken of lichamen"[6]. Hij ontwikkelt hier zijn psychologie, met definities van handelen, lijden, gevoelen. Onze geest handelt in zoverre hij adequate ideeën heeft en lijdt of ondergaat in zoverre hij inadequate ideeën heeft.

Alle lichamelijke aandoeningen hebben een geestelijke pendant. Alles, dus ook de mens, streeft naar voortzetting van zijn bestaan. De geest (de mens qua denking) streeft dus ook naar deze voortzetting, zowel voor zover het adequate als voor zover het inadequate ideeën heeft. De geest is zich ook van dit streven bewust. Voor zover het streven met de geest in verband staat, noemt men het wil. Als het zowel met lichaam (de mens qua uitgebreidheid) en geest in verband staat, noemt men het aandrift. Als de mens zich er ook van bewust is, ofwel, een idee van de aandoening van het lichaam heeft, noemt men het begeerte. Dit streven vormt het wezen van de mens; deze theorie verheldert Spinoza's determinisme.

De primaire aandoeningen zijn blijdschap en droefheid. Blijdschap is een overgang naar een grotere volmaaktheid en droefheid een overgang naar een kleinere volmaaktheid. Alle overige aandoeningen kunnen uit deze twee tegengestelde hoofdcategorieën worden afgeleid. Zo is liefde bijvoorbeeld blijdschap, veroorzaakt door een extern object; en haat droefheid, veroorzaakt door een extern object. De overige aandoeningen die door Spinoza worden geanalyseerd zijn: verwondering, minachting, geneigdheid, afkeer, toewijding, bespotting, hoop, vrees, zorgeloosheid, wanhoop, vreugde, teleurstelling, meegevoel, genegenheid, verontwaardiging, overschatting, onderschatting, afgunst, medelijden, zelfvoldaanheid, neerslachtigheid, berouw, verwaandheid, zelfonderschatting, trots, schaamte, smachtend verlangen, navolging, dankbaarheid, welwillendheid, woede, wraakzucht, wreedheid, angst, moed, afheid, verbijstering, vriendelijkheid, gunstbejag, vraatzucht, drankzucht, hebzucht en wellust. Deze worden eerst in de geometrische stijl geanalyseerd en aan het einde van het deel nog eens bondig opgesomd. Onder meer Bennett [3] heeft erop gewezen dat de definities in de twee uiteenzettingen soms van elkaar afwijken.

Vierde deel[bewerken]

Pars Quarta - vierde deel (De Servitute Humana, seu de Affectuum Viribus - over de afhankelijkheid van de mens, ofwel over de kracht van emoties). - Hier gaat het dan om de eigenlijke ethische uitgangspunten.

Vijfde deel[bewerken]

Pars Quinta - vijfde deel (De Potentia Intellectus, seu de Libertate Humana - over de macht van het verstand, ofwel over de menselijke vrijheid). - De ware macht en kennis ziet Spinoza in het erkennen van de '"goddelijke noodzaak van het bestaan van de dingen'", dát is vrijheid, deugd en geluk. Door onze emoties te begrijpen kunnen we ons aan de kracht van de emoties ontworstelen. 'Vrij' is degene die redelijk en in zijn eigen belang, dat wil zeggen overeenkomstig zijn natuur handelt.

Kritiek op de Ethica[bewerken]

  • Spinoza werd een pantheïstische en zelfs atheïstische filosofie verweten; zijn God was niet de God van de orthodoxe Christenen of die van de Joden.
  • Bij Spinoza was de rede (door middel van intellectuele contemplatie van God) het pad naar geluk, en die benadrukking van de rationaliteit werd hem door andere filosofen verweten.
  • Zijn concept van menselijke vrijheid is volgens enkele filosofen (Sartre) te beperkt. Volgens Spinoza kun je nooit echt een vrije keuze maken en geraak je niet los van de oorzaak-gevolg-keten die uiteindelijk alleen door God gekend is.

Vertalingen[bewerken]

Werken over de Ethica[bewerken]

  • Knol, Jan, En je zult spinazie eten, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012
Bronnen, noten en/of referenties
  1. In 2011 werd bekend dat in de bibliotheek van het Vaticaan een afschrift van Spinoza’s eigen tekst uit 1675 was gevonden. Zie: Exemplaar uit 1675 gevonden
  2. 1d6
  3. a b Bennett
  4. in 2p11
  5. 2p13
  6. Inleiding dl.3, vertaling Krop