Evangelie volgens Marcus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Evangelie volgens Marcus
De Evangelist Marcus (schilderij van Jusepe Leonardo)
De Evangelist Marcus (schilderij van Jusepe Leonardo)
Auteur Marcus
Tijd 66-73
Taal Grieks
Categorie evangelie
Hoofdstukken 16
Vorige boek Matteus
Volgende boek Lucas

Het Evangelie volgens Marcus (vaak kortweg Marcus of Markus genoemd) is het tweede evangelie in het Nieuwe Testament van de christelijke Bijbel. Met zijn 16 hoofdstukken die samen ongeveer 11.250 woorden bevatten is het het kortste van de vier evangeliën. Het is een van de drie synoptische evangeliën en werd geschreven in het Koinè-Grieks.

Auteur[bewerken]

De tekst van het evangelie bevat geen naam van de auteur. Papias, bisschop van Hiërapolis in het begin van de 2e eeuw, schreef het werk toe aan Marcus, de tolk van Petrus, waarbij hij zich beroept op de apostel Johannes:

Aanhalingsteken openen

De oudste [de apostel Johannes] zei ook nog: Marcus werd de tolk van Petrus en schreef nauwkeurig, weliswaar niet in volgorde, alles op wat hij zich herinnerde van wat de Heer had gezegd of gedaan. Want hijzelf [Marcus] had de Heer niet gehoord en was hem niet gevolgd. [...] Marcus deed er niet verkeerd aan toen hij aldus sommige dingen uit zijn herinnering optekende. Want voor één ding droeg hij zorg: niets weg te laten van wat hij gehoord had en zich daarin niet aan valse beweringen schuldig te maken.[1]

Aanhalingsteken sluiten

De door Papias genoemde Marcus wordt traditioneel vereenzelvigd met Johannes Marcus die in de Handelingen van de Apostelen en in de brief van Paulus aan Filemon, de brief van Paulus aan de Kolossenzen en de eerste Petrusbrief vermeld wordt. Hij zou dan na zijn samenwerking met Paulus en Barnabas nog als tolk voor Petrus gewerkt hebben.

Ireneüs (Tegen de ketterijen, 3.1.1) en de Anti-Marcionitische proloog vermelden Marcus ook als auteur van het evangelie, maar zij hebben zich daarbij mogelijk gebaseerd op de genoemde tekst van Papias. Ireneüs meldt verder nog dat Marcus het evangelie schreef na Petrus' dood.

Kritische exegeten verwerpen deze traditionele identificatie en houden het eerder bij een anonieme christen. In elk geval was de auteur van het Marcusevangelie zelf geen ooggetuige van de verhaalde gebeurtenissen, maar baseerde hij zich op overlevering. De hoeksteen van zijn evangelie vormde de traditie (of reeds een geschreven bron) over het lijden van Jezus, waaraan Marcus andere gegevens uit de Jezustraditie toevoegde. Aan het geheel gaf hij een sterke literair-theologische structuur mee, mogelijk naar voorbeeld van de antieke Grieks-Romeinse biografie.

Sinds de tijd van Clemens van Alexandrië hebben theologen aangenomen dat het evangelie in Rome geschreven is, hoewel ook Antiochië als mogelijke plaats wordt genoemd. Het Evangelie veronderstelt dat Alexander en Rufus, de zonen van Simon van Cyrene die Christus’ kruis droeg, bij de lezers bekend waren (Mc. 15:21). In de gemeente te Rome was een Rufus aanwezig (Romeinen 16:13) en als dat dezelfde is, is er een extra argument voor Rome als plaats van herkomst. Als deze Simon dezelfde is als in Handelingen 13:1 pleit dit voor Antiochië.[2]

Doelgroep[bewerken]

Joodse namen, Aramese uitdrukkingen[3] en Joodse gebruiken[4] worden in dit evangelie altijd verklaard (zij het niet altijd helemaal correct), wat op een (voornamelijk) niet-Joodse doelgroep wijst. Ook bevat dit evangelie minder verwijzingen naar en citaten uit het Oude Testament dan bijvoorbeeld het Evangelie volgens Matteüs. Deze referenties zouden voor Joden juist van belang zijn geweest.

Het gebruik van een aantal Latijnse woorden (dat niet in de andere evangeliën voorkomt[5]) wijst op een doelgroep en/of omgeving van de schrijver met sterk Romeinse trekken. Dit stemt overeen met verklaringen van oude kerkvaders, dat Marcus zijn evangelie in Rome voor de christenen uit de heidenen schreef. Ook worden plaatsen als Antiochië in Syrië of Egypte geopperd.

Het evangelie was waarschijnlijk bedoeld om voorgelezen te worden. Dit zou ook een aantal typische eigenschappen van de tekst kunnen verklaren, zoals het gebruik van herhalingen.

Tekst[bewerken]

De oudste getuige van de tekst is Papyrus 45 (derde eeuw). Andere belangrijke handschriften zijn Papyrus 84, Papyrus 88 en de grote Codices. Het belangrijkste tekstkritische probleem is hoofdstuk 16 vanaf vers 8, het slot (zie hieronder).

Datering[bewerken]

Het Marcusevangelie wordt door vrijwel alle Bijbelwetenschappers gedateerd tussen 66 en 73. Deze tijdsvork heeft te maken met de Joodse Oorlog, waarvan Marcus weet lijkt te hebben. Zijn weergave van de voorspellingen door Jezus over de eindtijd in hoofdstuk 13, waarin Marcus de vernietiging van de Tweede Tempel en de onrust daaromheen becommentarieert, is voor veel exegeten een argument dat het evangelie vlak voor, in of kort na 70 is opgesteld. Omdat Ireneüs meldt dat Marcus het evangelie schreef na Petrus' dood is het, ook wanneer we vasthouden aan Marcus (de tolk van Petrus, al dan niet dezelfde persoon als Johannes Marcus) als auteur, mogelijk om het jaar 65 als vroegste datum aan te houden.

Voor aanhangers van de tweebronnentheorie speelt de datering van Matteüs en Lucas een rol in hun datering van Marcus, aangezien deze theorie stelt dat zij zich allebei, onafhankelijk van elkaar, hebben gebaseerd op Marcus. Marcus moet dan dus de oudste van de drie zijn.

De lijdensgeschiedenis en de begrafenis zijn mogelijk een traditie van nog oudere datum. Een aanwijzing hiervoor is dat de naam van de hogepriester in tegenstelling tot de andere evangeliën nergens genoemd wordt, wat erop wijst dat deze traditie nog tijdens de ambtsperiode (18–37) van Kajafas werd opgesteld.

Relatie met andere synoptische evangeliën[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Synoptische vraagstuk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van de 662 verzen in het evangelie heeft Marcus er 406 gemeen met zowel het Evangelie volgens Matteüs als het Evangelie volgens Lucas, en nog eens 145 met Matteüs alleen, en 60 met Lucas alleen; slechts 51 verzen komen dus alleen in Marcus voor. De relatie tussen de synoptische evangeliën (Marcus, Matteüs en Lucas) wordt het synoptische vraagstuk genoemd. Veel exegeten nemen aan dat het Marcus-evangelie het oudste van de drie evangeliën is. Aanhangers van de tweebronnenhypothese nemen aan dat zowel Matteüs als Lucas onafhankelijk van elkaar de beschikking hebben gehad over Marcus en een andere geschreven bron (bron Q genoemd), en dat zij hun tekst op deze twee bronnen gebaseerd hebben. Het is mogelijk dat zij daarbij over een oudere versie van Marcus beschikten dan die wij kennen. Het gebruik van deze oudere versie, een oer-Marcus, zou dan een aantal verschillen tussen de Marcus die wij kennen enerzijds en Matteüs en Lucas anderzijds kunnen verklaren.

Kenmerken van het evangelie[bewerken]

  • Marcus valt direct met de deur in huis. Er wordt geen aandacht besteed aan de geboorte en de jonge jaren van Jezus' of aan de gebeurtenissen die aan Jezus' geboorte vooraf gingen. Direct in het eerste hoofdstuk komen onder andere Jezus' doop door Johannes de Doper, de verzoekingen in de woestijn, de roeping van de eerste vier discipelen, een aantal genezingen en Jezus' eerste optreden in een synagoge aan de orde. De eerste verzen van Marcus vinden hun parallel in Matteüs 3 en Lucas 3.
  • Het eind van het evangelie is zo plotseling als het begin: enkele vrouwen treffen het graf waar Jezus zou liggen leeg aan en vluchten geschrokken weg, zonder anderen hierover te vertellen (de verzen 16:9-20 die hier nog op volgen zijn vrijwel zeker een latere toevoeging).
  • Er is geen geslachtsregister van Jezus, zoals bij Matteüs en Lucas.
  • De schrijver stelt Jezus voor met de bevoegdheid om zonden te vergeven (Mc. 2).
  • Marcus is gedetailleerder dan andere evangelisten bij de optekening van woorden,[6] plaatsen,[7] gebaren,[8] personen,[9] aantallen,[10] plaatsen[11] en tijden.[12]
  • De zinsnede “En terstond” komt in dit evangelie bijna veertig keer voor. In het veel langere Evangelie volgens Lucas komt de uitdrukking slechts vier maal voor, bij Johannes zeven maal. In modernere vertalingen wordt deze zinsnede meestal weergegeven als ‘en dadelijk’, ‘aanstonds’ of ‘en direct’. Het veelvuldig gebruik hierbij van de tegenwoordige tijd verhoogt het idee van snelheid en actie. Dit komt echter in slechts weinig vertalingen tot uitdrukking.
  • Dit evangelie schildert Jezus af als iemand met bijzonder gezag, maar ook als bijzonder menselijk. Hij wordt boos en bedroefd (3:5), heeft honger (11:12), slaapt wanneer hij moe is (4:38) en houdt van kinderen (10:16).
  • Marcus slaat in dit evangelie Jezus’ geboorte en kinderjaren over. Hij concentreert zich op het leven van Jezus als volwassene en besteedt bijzondere aandacht aan Jezus’ onschuldige dood aan het kruis.
  • Het gebruik van herhaling. Het evangelie bevat bijvoorbeeld drie aankondiging van het lijden, twee wonderbaarlijke spijzigingen, twee genezingen van blinden en drie samenvattingen van Jezus' activiteiten [13].
  • Het evangelie bestaat uit een groot aantal korte, losse verhalen. Hoewel dit, met name door vormcritici, wel verklaard werd door de aanname dat Marcus een aantal losse orale tradities samengevoegd heeft, is het ook mogelijk dat deze structuur bedoeld was om de tekst geschikt te maken voor voorlezing.

In navolging van Papias’ beschrijving is het evangelie lang beschouwd als een snelle opeenvolging van afzonderlijke scènes. Men zag deze scènes echter als weinig samenhangend: de auteur zou weinig moeite hebben gedaan de gebeurtenissen chronologisch of in ander verband weer te geven. Merk op dat chronologie in de toenmalige geschiedschrijving van ondergeschikt belang was. De door deze verteltechniek ontstane beeldende kracht wordt als kenmerkend voor dit evangelie beschouwd. Met de opkomst van de redactiekritiek sinds de jaren 50 van de 20e eeuw is men meer aandacht aan de interne structuur van de tekst gaan besteden. Deze interne structuur zou bijvoorbeeld tot uiting komen in de drievoudig herhaalde lijdensaankondigingen.

Jezus in het evangelie volgens Marcus[bewerken]

In Marcus wordt Jezus voorgesteld als iemand met gezag, iemand die spreekt en zich gedraagt zoals dat van een messias, een zoon van God, verwacht mag worden. Toch blijkt dat vrijwel niemand zich realiseert wie hij is. Dit geldt niet alleen voor de Farizeeën en schriftgeleerden, maar ook voor zijn eigen familie[14] en de discipelen. De enigen die Jezus wel als zoon van God herkennen zijn de onreine geesten die door Jezus verjaagd worden.[15] Pas halverwege het evangelie lijken de discipelen door te krijgen wie Jezus is, maar dan kunnen ze niet geloven dat Jezus als messias zal moeten lijden. Een aantal keer kondigt Jezus zijn lijden en sterven aan, en telkens begrijpen de discipelen het niet.[16] De eersten die begrijpen dat Jezus de lijdende messias is, zijn niet zijn discipelen of familieleden, maar een onbekende vrouw[17] en een Romeinse centurio.

Een eigenaardige kwestie hierbij is dat Jezus bij Marcus ook een aantal malen probeert om zijn identiteit als messias voor het algemene publiek te verbergen.[18] Dit wordt ook wel het ‘Messiaans geheim’ genoemd, een term die in 1901 door William Wrede werd geïntroduceerd, en dit Messiaans geheim vormt een onderscheidend kenmerk van Marcus ten opzichte van de andere evangeliën. Over het waarom van deze geheimhouding zijn verschillende theorieën opgesteld.

Einde[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Marcus 16 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De laatste twaalf verzen van het laatste hoofdstuk (16:9-20), die de verschijningen van de opgestane Jezus beschrijven, komen niet voor in de oudste manuscripten. Jongere manuscripten hebben wel een slot, maar hier zijn een lange en een korte versie van, en sommige handschriften hebben zelfs beide versies. Voor beide afsluitingen is er slechts bewijs in de jongere handschriften. Het zijn latere toevoegingen die ontstaan zijn uit onvrede met het abrupte slot van Marcus. Dit blijkt bovendien uit inhoudelijke en stilistische verschillen met de rest van het evangelie. De vraag is of Marcus oorspronkelijk afsloot bij 16:1-8 (passage over het lege graf) of dat het originele slot van het evangelie verloren is gegaan.[19]

Het feit dat er vermoedelijk in het oorspronkelijke evangelie van Marcus niets wordt geschreven over verschijningen van Jezus na zijn opstanding, is voor kritische Bijbelwetenschappers een indicatie dat er een zekere evolutie was in de voorstelling van de opstanding van Jezus. Uitgewerkte verschijningsverhalen, zoals die in de latere evangeliën te vinden zijn, zouden geen deel hebben uitgemaakt van de vroegste tradities (wel verschijningsberichten, zie 1 Kor. 15). Sommige Bijbelwetenschappers menen dat dit ook opgaat voor het verhaal over het lege graf, dat Paulus immers nergens expliciet noemt.

Dean Burgon publiceerde in 1871 een studie over de echtheid van het slot van Marcus 16.[20] Moderne Bijbelwetenschappers verwerpen deze studie als pseudowetenschap.[bron?] Toch is er nog steeds een aantal conservatieve christelijke theologen dat voor de echtheid van Marcus 16 argumenteert.[21]

Indeling[bewerken]

  • Locatie: de eerste 10 hoofdstukken spelen in Galilea en Perea, de laatste zes in Judea en Jeruzalem.
  • Tijd: Hoofdstuk 1-8:27 en 8:26-10 omvatten een onbepaalde tijd (ongeveer een jaar?), hoofdstuk 11-16 ruim een week.

Marcus en antisemitisme[bewerken]

De beschrijving in dit evangelie hoe het Sanhedrin (de toenmalig gevestigde autoriteit van de Judaïsche religie) samenspande om Jezus te doden, is gebruikt om antisemitisme te promoten. Interessant genoeg is net dit deel van het evangelie (het proces van Jezus voor het Sanhedrin, en Pilatus' toegeeflijkheid tegenover de Joden) een van de passages die het meest onder twijfel staan. Men wijst er namelijk op dat de beschrijving van Pilatus door Marcus niet lijkt overeen te komen met wat we weten over Pilatus uit andere bronnen (zoals Flavius Josephus), en dat dit deel door christenen zou zijn opgesmukt om zich te distantiëren van het Joodse gezag. Tijdens en na de grote Joodse Oorlog zou het voor christenen in Romeinse gebieden namelijk nadelig zijn om als Joods aangezien te worden.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen en noten
  1. Eusebius: Historia ecclesiastica, III, XXXIX, 12-16
  2. Mark, Cole A.R., Tyndale New Testament Commentaries, IVP 1988.
  3. Voorbeelden van Joodse namen en Aramese uitdrukkingen in het Evangelie volgens Marcus: "Boanerges" (3:17); "Talitha Koem" (5:41); "Korban" (7:11); "Bartimeus" (10:46); "Abba" (14:36); "Eloi" (15:34).
  4. Voorbeelden van Joodse gebruiken in het Evangelie volgens Marcus: 7:3; 14:3; 14:12; 15:42.
  5. Voorbeelden van Latijnse termen in het Evangelie volgens Marcus: "spekulatoura" (6:27, SV: scherprechter), "xestes" (vgl sextarius, SV: drinkbekers," 7:4, 8), "quadrans" (12:42, SV: penningen), "centurion" (15:39, 44, 45).
  6. Zie bijvoorbeeld Marcus 3:17; 5:41; 7:11, 34; 14:36.
  7. Zie bijvoorbeeld Marcus 9:35; 2:13; 4:1; 7:31.
  8. Zie bijvoorbeeld Marcus 3:5, 34; 5:32; 9:36; 10:16.
  9. Zie bijvoorbeeld Marcus 1:29, 36; 3:6, 22.
  10. Zie bijvoorbeeld Marcus 5:13; 6:7.
  11. Zie bijvoorbeeld Marcus 2:13; 4:1; 7:31.
  12. Zie bijvoorbeeld Marcus 1:35; 2:1; 4:35.
  13. Marcus 1:32-34, 3:7-12, 6:56
  14. Marcus 3:21
  15. Bijvoorbeeld Marcus 3:11 en 5:7
  16. Bijvoorbeeld Marcus 8:31-33, 9:30-32, 10:33
  17. Marcus 14:6-9
  18. Zie bijvoorbeeld Marcus 1:44; 3:12; 8:30.
  19. K. Aland, ‘Der Schluss des Markusevangeliums’, in: M. Sabbe, J. Aland & H.W. Bartsch e.a., L’Évangile selon Marc. Tradition et rédaction (Leuven-Gembloux 1974), 435-470.
  20. Samenvatting van Dean Burgons studie
  21. J. van Bruggen, Marcus. Het evangelie volgens Petrus (Kampen 1988).