Evocatierecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het evocatierecht is een mechanisme in het Belgische parlement dat sinds de staatshervorming 1993 aan de Senaat de mogelijkheid geeft zich uit te spreken over wetsontwerpen en wetsvoorstellen die werden aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Tot 1993 had de Senaat gelijke wetgevende bevoegdheid met de Kamer van Volksvertegenwoordigers: elk wetsontwerp en wetsvoorstel moest door beide aangenomen worden. Als een voorstel geamendeerd werd, moest het opnieuw naar de andere vergadering om daar opnieuw aangenomen te worden.

De staatshervorming van 1993 (het Sint-Michielsakkoord) bracht hierin verandering. Het aantal senatoren werd gereduceerd tot 71, de leeftijdsgrens werd op 21 jaar gebracht, en de bevoegdheden werden aangepast. Sommige aangelegenheden behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de Kamer. Voor andere aangelegenheden staan Kamer en Senaat nog steeds op voet van gelijkheid. Voor de overblijvende aangelegenheden - veruit de ruimste categorie - heeft de Kamer het laatste woord, maar kan de Senaat als bezinningskamer optreden. Daartoe beschikt de Senaat over het evocatierecht. Op verzoek van ten minste vijftien senatoren kan de Senaat wetsontwerpen en wetsvoorstellen die in de Kamer zijn aangenomen, onderzoeken en eventueel amenderen. Over die door de Senaat voorgestelde wijzigingen heeft de Kamer echter het laatste woord. De bedoeling van het evocatierecht is de Senaat via een grondig onderzoek van de teksten de gelegenheid te geven de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren.

In de praktijk verzandt de evocatieprocedure wel eens in een politiek steekspel waarbij de oppositie de regeringspolitiek probeert te dwarsbomen door de totstandkoming van de wetgeving te vertragen. De Senaat werkt politiek gezien hoe dan ook in de schaduw van de Kamer.