Eysink

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Van deze Eysink 100 cc (ILO) uit 1934 bestond een heren...
Van deze Eysink 100 cc (ILO) uit 1934 bestond een heren...
... en een Damesmodel
... en een Damesmodel
Eysink Jubileum met Villiers-blok uit 1939
Eysink Jubileum met Villiers-blok uit 1939
Eysink Alpenjager zijspancombinatie uit 1938
Eysink Alpenjager zijspancombinatie uit 1938
Eysink tandem uit 1951
Eysink tandem uit 1951

Eysink was een Nederlandse auto-, fietsen- en motorfietsenfabriek. D.H. (Dick) Eysink begon in 1886 de Amersfoortse Rijwiel-, Automobiel- en Machinefabriek. Zijn zoons Menno en August bouwden in 1897 de eerste Nederlandse auto. Er werden toen al vanaf 1900/1901 op basis van de Belgische Minerva-hulpmotortjes in eigen beheer gemaakte motortjes in de fietsframes gehangen.

Eysink Fabrieken NV, Amersfoort, later ARI (Amersfoortse Rijwiel Industrie) (1898-1914, 1921-1939 en 1946-1956).

Motorfietsen[bewerken]

Eysinklogo.jpg

In 1904 kwam er een liggende twin die echter minder goed verkocht werd. Men was meer succesvol met een licht herenmodel motorfiets, speciaal aanbevolen voor h.h. doktoren. Rond 1911 had Eysink zelfs een speciaal damesmodel in het modellengamma, naast een 7 pk V-twin. In 1913 behaalde August Eysink op een motor van eigen fabricaat in de prestigieuze Engeland-Holland Run als enige Nederlandse deelnemer zonder strafpunten een gouden medaille, met daarnaast nog een zilveren medaille en de door Het Motorrijwiel uitgeloofde beker was het Eysink succes compleet. Op basis van dit model Eysink fabriceerde Eysink een legermotor met de Oostenrijkse Schwarzlose mitrailleur op het stuur waarvan een behoorlijk aantal aan het Nederlandse leger werd geleverd. Tijdens WO I werd als gevolg van de slechte aanlevering van grondstoffen de productie van auto's en motoren beperkt. Men legde zich toe op de fabricage van onderdelen voor alle merken auto's en motoren, hetgeen mogelijk was door te beschikken over een uitgebreid machinepark. In 1921 kwam Eysink uit met een nieuw model in de vorm van een 4 pk liggende paralleltwins die tot 1929 in productie zou blijven. De in 1913 ten behoeve van de Compagnieën Wielrijders ontwikkelde militaire machine met mitrailleur bleef tot 1930 in productie.

Er werden vanaf 1930-1931 motoren van ILO, New Hudson, JAP, Python (Rudge) en Matchless gebruikt.

In deze jaren werden er vele sportieve successen geboekt, onder meer door Dick Jr. Hij zou ook steeds meer verantwoordelijk worden voor de ontwikkeling van motorfietsen. In 1935 had Eysink modellen van 60- tot 1150 cc in het programma. In het jubileumjaar 1936 (1886-1936) verscheen de beroemde 125 cc Jubileum, een zogenaamde “onder de zestiger”. Deze machine, voorzien van een 125cc Villiers-tweetaktblok, zou een groot succes worden. Dick Renooy won er nog in 1948 de Dutch TT mee.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de productie stil, in 1948 kwam Eysink terug met 125- en 200 cc Villiers-blokken. In de jaren vijftig probeerde Eysink met 98- en 250 cc scooters een faillissement te voorkomen. In 1951 ging het bedrijf echter toch failliet, werd meteen - als Amersfoortse Rijwiel Industrie - weer heropgericht maar sloot in 1956 definitief de poorten. Er schijnt in 1961 nog een 125 cc-model met Minarelli-motor gemaakt te zijn. Hierna ging men zich concentreren op bromfietsen met Anker M48-motortjes.

Renata[bewerken]

Dick Eysink, die door een meningsverschil ontslag had genomen, had intussen in 1951) in Soest een fabriek van gemotoriseerde tandems en sportieve bromfietsen geopend, die hij Renata noemde. Later kocht hij de merknaam Eysink terug en produceerde voor enkele jaren brommers onder eigen naam. De fabriek werd opgeheven omdat met name de concurrentie uit Duitsland en Japan te groot werd, de fabriek liep toen nog goed. Dick Jr. ging zich bezighouden met de import van Benelli motoren.

Autoindustrie[bewerken]

Eysink staat bekend als de eerste Nederlandse autoproducent (1897) en was ook het eerste Nederlandse automerk dat alles volledig zelf maakte, inclusief motoren.

In 1897 bracht Eysink de eerste Nederlandse auto op de weg.In de jaren daarna produceert men een groeiend aantal automobielen. Na een stilstand in de productie hiervan werd er in 1907 weer geadverteerd met auto's. Men profiteerde van het stilvallen van de productie bij Spyker.

Men produceert tot rond 1910 vooral grote auto's, tot blijkt dat kleine auto's beter verkocht worden, Eysink probeert het in die markt, maar men was eigenlijk al wat te laat. Hun meest bekende auto was de zogenaamde Bèbè, een kleine auto die vlak voor de Eerste Wereldoorlog in opkomst kwam.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begon goed voor Eysink. Import stopte vrijwel en orders van het Nederlandse leger zorgden voor een overvolle portefeuille. Tegen 1917 liep de vraag terug, waarna de productie weer op volle toeren liep na het einde van de oorlog.

Maar al snel daarna kwam de import van extreem goedkope Amerikaanse auto's op gang. Hierdoor kan Eysink moeilijk tegen de groter wordende concurrentie uit Amerika opboksen. De hoge prijzen doen Eysink als autoproducent de das om.

Na de oorlog werden er nog een paar auto's gemaakt. Sinds die tijd maakte Eysink alleen nog maar fietsen en motorfietsen.

Eysink heeft door de jaren waarschijnlijk iets meer dan 300 automobielen geproduceerd, waarvan er nog maar 1 overlevende bekend is. Deze is onlangs gerestaureerd door het bedrijf Toncar en is sinds kort te bezichtigen in de Louwman collectie.

Hoogtepunten in de sport[bewerken]

In de glorietijd van de Amersfoortse fabriek, in de jaren dertig tot vijftig, konden Eysink-motorrijwielen de vergelijking met de andere fabricaten glansrijk doorstaan.

Het merk 'Eysink' verwierf veel roem toen Dick Eysink in 1931 (samen met Gerard 'Bud' Bakker Schut en Bertus van Hamersveld) de Zesdaagse in Merano, Italië, won en daarmee ook voor het eerst de 'Zilveren Vaas' mee naar Nederland nam.

Dick Eysink had in deze Zesdaagse de beschikking over een snelle en betrouwbare 500cc 'Python'-motor die afkomstig was van het roemruchte merk Rudge-Whitworth. Aangezien het succes in de Italiaanse Alpen werd behaald, inspireerde dat tot de bouw van de vermaarde 'Eysink Alpenjagers'.

Op zaterdag 25 juni 1932 maakten de Eysinkfabrieken hun entree in de wegraces. Dat gebeurde tijdens de achtste uitgave van de TT van Assen. Alle hoop was gevestigd op ervaren kerels als Bertus van Hamersveld en Jaap Houtop die door de Eysink-fabriek werden ingeschreven in de 500cc klasse. Als krachtbron diende ook nu de solide Rudge Pythonmotor. Die eerste kennismaking met het snelle racewerk was alleszins bemoedigend. Bij het vallen van de startvlag was het Bertus van Hamersveld die brutaalweg als eerste wegschoot, voor vedetten als Tim Hunt, Graham Walker en Stanley Woods. Enkele ronden later maakte Bertus een pitstop om bij te tanken, doch eerst na allemachtig veel duwen sloeg de motor weer aan. Daarbij ging veel kostbare tijd verloren. In de tiende ronde sloeg de pechduivel genadeloos toe: een vastloper! Alles ten spijt zat de race voor Bertus erop en moest hij het verdere verloop vanaf de zijlijn volgen. Daar volgde hij zijn kompaan Jaap Houtop, die ondanks problemen met de sproeier toch nog een negende plaats wist te behalen.

Zodra bekend werd dat de TT van Assen in 1934 mee zou tellen voor het Europees kampioenschap, vestigde men bij Eysink alle hoop op de nieuwe 500 cc motoren. Door de fabriek werden maar liefst zes rijders voor deze TT aangemeld, maar in de wedstrijd bleek al gauw dat men de buitenlandse concurrentie (FN, Husqvarna en Norton) niet aankon. Als beste Eysink-coureurs kwamen Bud Bakker Schut en Bertus van Hamersveld uit de bus, zij eindigden met enkele ronden achterstand op een zevende en achtste plaats. Drie weken later eindigde Jaap Houtop in de G P van België op een vierde plaats. Nadien werden de Europese kampioenschappen steeds in andere landen verreden en bij Eysink waagde men zich niet nog eens aan zo'n hachelijk en kostbaar avontuur.

Op 26 juni 1948 won voor het eerst een Nederlandse coureur en wel Dick Renooy op een Nederlandse machine (weliswaar voorzien van een getuned Brits Villiers 9D-motorblokje met een vermogen van nu 9 PK (standaard 4!) de TT van Assen.

Tot een van de meest succesvolle creaties die de fabriek op de markt bracht, behoorde zeker de 'Eysink Jubileum' van 1936. Ook deze machine was voorzien van een 125cc Villiers-tweetakt-motor. Met deze (naderhand aangepaste) machines scoorden heel wat Nederlandse coureurs tal van successen in de wegraces, de grasbaanraces en de terreinritten.

Op Eysink motoren werden in de loop van het bestaan in de Internationale Zesdaagsen en grasbaanwedstrijden gouden, zilveren en bronzen medailles en in terreinraces en wegraces 12 Nederlandse en 35 Provinciale Kampioenschappen behaald.

Spot- en bijnamen[bewerken]

Eysink Jubileum 1936: Jub

Externe links[bewerken]

Andere bronnen[bewerken]