Fado (muziek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Fado is het Portugese levenslied. Het is in Portugal een zeer gewaardeerde zangkunst die vroeger echter uitsluitend in armoedige kroegen werd gezongen. In de loop van de twintigste eeuw werd fado een erkende zangkunst die vaak uitgevoerd wordt in de betere uitgaansgelegenheden.

Fado neemt een bijzondere plek in in het leven van vele Portugezen. Ze geeft stem aan de gemoederen van het leven, verdriet, melancholie, blijheid, weemoed, saudade en niet te vergeten de feeststemming. Amália Rodrigues wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste fadozangeressen ooit.

Geschiedenis van de fado[bewerken]

De stijl is ontstaan rond 1829 in de arme wijken van Lissabon; Alfama, Bairro Alto, en Mouraria. Naast Lissabon is ook Coimbra van groot belang voor de fado. Fado, afgeleid van het Latijnse fatum, betekent zoveel als lot, of beter gezegd: het noodlot, vertaald in muziek. De vlag dekt de lading, want er is geen andere muzieksoort op aarde waarin melancholie en fatalisme zo worden gecultiveerd.

Over de muziek die ten grondslag ligt verschillen de meningen. Verschillende auteurs veronderstellen Arabische en Braziliaanse invloeden. De eerste grote ster van de fado was Maria Severa, dochter van een kroegbazin en prostituee in de wijk Mouraria. In het begin werd fado gezongen in de kroegen en bordelen en was een fadista niet meer dan een veredelde landloper of beurzensnijder. De fado werd toen geassocieerd met prostitutie, kroegen, en misdaad. Rond 1900 vond de omslag plaats naar het ‘respectabel’ worden van de stijl, waarna ook dichters en intellectuelen aandacht kregen voor deze muziek.

Begin jaren dertig gleed Portugal langzaam weg richting een burgeroorlog waar, net zoals in Spanje, linkse en rechtse krachten vochten om de macht. Gesteund door de gegoede middenklasse, het grootkapitaal en de kerk, nam de burgerdictatuur van Salazar de macht over. In zijn ogen was fado de ultieme uitdrukking van de Portugese volksziel. Het volk werd rustig gehouden met ‘de drie F’s’: Futebol, Fátima e Fado (voetbal, Onze-Lieve-Vrouw van Fátima en fado). De fadista’s lieten zich de aandacht van de dictatuur welgevallen (passief verzet was er eigenlijk niet) en velen beleefden hun bloeiperiode. De belangrijkste fadista was Amália Rodrigues. Wie niet meewerkte verdween in de kerkers van de PIDE, de geheime politie. Over wie ‘fout’ en ‘goed’ was in die periode zijn de kenners het nog niet eens. Van Amália Rodrigues wordt bijvoorbeeld nu gezegd dat ze de verboden Communistische Partij financieel steunde. Na de Anjerrevolutie in 1974 was er met fado geen droog brood meer te verdienen. De fadista’s werden geassocieerd met de dictatuur. De rehabilitatie kwam begin jaren tachtig toen Amália een hoge nationale onderscheiding kreeg.

Pas begin jaren negentig werd de fado opnieuw populair met een nieuwe generatie fadista’s zoals Mafalda Arnauth, Cristina Branco en Mariza. In 1997/1998 kwam de internationale doorbraak en sindsdien is er wel elke maand een nieuwe stem of belofte.

De klassieke uitvoering van de fado wordt nu gezien als een fadista met guitarra (Portugese gitaar), viola (klassieke gitaar) en bas (staande of basgitaar). Dit is echter een conventie die tijdens de dictatuur populair was. Tegenwoordig is de keuze in instrumentatie ruimer en wordt slechts beperkt door het vermogen van de fadista deze in zijn of haar fado's in te passen.

In 2011 heeft de fado een plaats gekregen op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed van Unesco, de cultuurorganisatie van de VN. Op de Unesco-lijst, die in 2001 in het leven werd geroepen, staan tradities, traditionele kennis, festivals en cultuuruitingen die volgens de organisatie beschermd moeten worden voor het nageslacht.

Bekende fadozangers[bewerken]