Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Faisal II (Bagdad, 2 mei 1935 – aldaar, 14 juli 1958) was de laatste Iraakse koning van 1939 tot 1958. Hij was een kleinzoon van de beroemde koning Faisal I.
In 1939 volgde hij zijn overleden vader op, koning Ghazi (1912-1939), die bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Tot 2 mei 1953 stond hij onder regentschap van zijn oom prins Abdullah (1913-1958). In april 1941 pleegden pro-nationalistische officieren onder leiding van Rasjid Ali een staatsgreep. Zij werden gesteund door de anti-semitische en pro-nazistische 'Golden Square' organisatie. De koning moest samen met zijn moeder naar Transjordanië vluchten, maar kon na de onderdrukking van de coup met behulp van de Britten terugkeren. In februari 1958 werd Faisal II tevens hoofd van de Arabische Federatie, een tegen Nassers Verenigde Arabische Republiek (Egypte en Syrië) gericht pro-westers samenwerkingsverband tussen Irak en het Jordaanse koninkrijk (waar zijn neef Hoessein koning was). In mei 1953 werd hij meerderjarig verklaard en ingehuldigd, hoewel de koninklijke macht in feite in handen bleef van zijn oom, de regent en na Feisals troonsbestijging kroonprins Abdul Illah. Op 14 juli 1958 pleegden nationalistische militairen een staatsgreep. De koninklijke villa in Bagdad waar Feisal met de koninklijke familie verbleef, werd daarop door opstandige militairen bestormd. Bijna de gehele koninklijke familie werd in de tuin bijeen gedreven en vermoord, inclusief koning Faisal. Het lijk van de gehate Abdul Illah werd in triomf door de straten gesleept en verbrand. Onder het bewind van Saddam Hussein zijn de restanten van de overige leden van de koninklijke familie bijgezet in een tombe, als geste van goede wil aan koning Hussein van Jordanië, die als tegenprestatie Saddam Husseins afstamming van de profeet erkende en daarmee diens familieverwantschap met de afgeslachte koninklijke familie.