Felix Klein

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Felix Klein

Felix Christian Klein (Düsseldorf, 25 april 1849 - Göttingen, 22 juni 1925) was een Duits wiskundige.

Klein was hoogleraar aan de universiteiten van Erlangen (waar hij het Erlanger Programm opstelde), München, Leipzig en uiteindelijk Göttingen waar hij wiskunde doceerde. Zijn hoofdonderwerpen waren niet-euclidische meetkunde, groepentheorie en functietheorie. Naar hem is onder andere de fles van Klein genoemd. In 1912 kreeg hij de Copley Medal.

Leven[bewerken]

Klein werd in Düsseldorf geboren, waar zijn vader als Pruisisch ambtenaar was gestationeerd in de Rijnprovincie. Hij ging naar het gymnasium in Düsseldorf. Daarna studeerde hij van 1865-1866 wiskunde en natuurkunde op de Universiteit van Bonn, van plan om natuurkundige te worden. Op dat moment bekleedde Julius Plücker de leerstoelen in de wiskunde en de experimentele natuurkunde, maar tegen de tijd dat Klein zijn assistent werd, in 1866, was Plücker voornamelijk geïnteresseerd in de meetkunde. In 1868 behaalde Klein onder supervisie van Plücker zijn doctoraat aan de universiteit van Bonn.

Plücker overleed in 1868, zijn boek over de grondslagen van lijnmeetkunde nog onafgemaakt. Klein was de voor de hand liggende persoon om het tweede deel van Plückers Neue Geometrie des Raumes (Nieuwe meetkunde van de ruimte) af te maken. Bij dit werk raakte hij kennis met Alfred Clebsch, die in 1868 in Göttingen was begonnem. Klein bezocht Clebsch het volgende jaar, ook bezocht hij Berlijn en Parijs. In juli 1870, bij het uitbreken van de Frans-Pruisische oorlog, was hij in Parijs. Hij moest Frankrijk halsoverkop verlaten. Tijdens de oorlog diende hij korte tijd als een hospik in het Pruisische leger, voordat hij in het begin van 1871 tot universitair docent in Göttingen werd benoemd

In 1872 werd Klein tot hoogleraar benoemd aan de Universiteit van Erlangen. Hij was toen nog slechts 23 jaar oud. Bij deze benoeming werd hij in sterke mate ondersteund door Clebsch, die in hem een mogelijke leidende wiskundige van zijn tijd zag. Klein bouwde in Erlangen, mede door het lage aantal wiskundestudenten, geen school om zich heen. In 1875 kreeg hij een leerstoel aangeboden aan de Technische Hochschule (Technische Hogeschool) van München. Daar hadden hij en zijn collega Brill vele excellente studenten, zoals bijvoorbeeld Adolf Hurwitz, Walther von Dyck, Karl Rohn, Carl Runge, Max Planck, Luigi Bianchi en Gregorio Ricci-Curbastro.

In 1875 trad Klein in het huwelijk met Anne Hegel, een kleindochter van de filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel.

Na vijf jaar aan de Technische Hochschule werd Klein werd benoemd in de leerstoel van de meetkunde aan de Universiteit van Leipzig. Daar waren zijn collega's Walther von Dyck, Rohn, Eduard Study en Friedrich Engel. Kleins jaren in Leipzig, van 1880 tot 1886, veranderden zijn leven radicaal. In 1882 kreeg hij te maken met gezondheidsproblemen en in de periode 1883-1884 leed hij onder een depressie.

Zijn carrière als actief onderzoeker nu in wezen over, aanvaardde Klein in 1886 een leerstoel aan de Universiteit van Göttingen. Vanaf dat moment tot aan zijn emeritaat in 1913 zette hij zich in om van Göttingen opnieuw 's werelds belangrijkste onderzoekscentrum in de wiskunde te maken. Daar slaagde hij in, hoewel hij persoonlijk niet meer de rol heeft gespeeld, die hij in Leipzig wel had als leider van een school in de meetkunde. In Göttingen gaf hij een verscheidenheid aan colleges, vooral op het raakvlak van de wiskunde en de natuurkunde, zoals mechanica en potentiaaltheorie.

Het wiskundig onderzoekscentrum dat Klein in Göttingen oprichtte heeft over de hele wereld als model gediend voor soortgelijke wiskundige onderzoekscentra. Hij introduceerde de wekelijkse discussievergaderingen en voerde de wiskundige leeszaal en bibliotheek in. In 1895 slaagde Klein erin om David Hilbert van de Universiteit van Königsberg naar Göttingen te lokken; Deze benoeming bleek een zeer gelukkige. Hilbert slaagde er na Kleins emeritaat in dat Göttingen nog zeker twintig jaar, tot zijn eigen emeritaat in 1932 en de komst van de nazi's in 1933, het belangrijkste centrum van wiskundig onderzoek in de wereld bleef.

Onder het redacteurschap van Klein werd het blad, Mathematische Annalen, een van de beste wiskundige tijdschriften in de wereld. Opgericht door Clebsch werd dit blad onder leiding van Klein in eerste instantie een rivaal van Crelle's Journal, een blad met sterke banden met de Universiteit van Berlijn. Klein stelde een klein team van redacteuren in, die regelmatig bijeenkwamen en waar democratische besluitvorming plaats vond. Het tijdschrift specialiseerde zich vooral in de complexe analyse, de algebraïsche meetkunde en de invariantentheorie (tenminste totdat Hilbert het invariantenprobleem oploste). Ook werd er aandacht besteed aan de reële analyse en de nieuwe groepentheorie.

Mede dankzij de inspanningen van Klein op dit gebied liet Göttingen sinds 1893 ook vrouwelijke studenten toe. Klein begeleidde zelf Grace Chisholm Jong, een Engelse studente van Arthur Cayley, die onder zijn supervisie het eerste proefschrift in Göttingen schreef.

Rond 1900 raakte Klein geïnteresseerd in het wiskunde-onderwijs in de scholen. In 1905 speelde hij een beslissende rol bij het formuleren van een plan waarin wordt aanbevolen dat de basisbeginselen van differentiaal- en integraalrekening en het functie concept op middelbare scholen wordt onderwezen. Deze aanbeveling werd geleidelijk aan in vele landen over de hele wereld geïmplementeerd. In 1908 werd Klein tijdens het Internationale Wiskundige Congres in Rome tot voorzitter gekozen van de International Commissie voor Wiskundig Onderwijs. Onder zijn leiding heeft de Duitse tak van de Commissie vele volumes gepubliceerd over het wiskunde-onderwijs in Duitsland.

De London Mathematical Society kende Klein in 1893 haar De Morgan Medal toe. In 1885 was hij tot lid van de Royal Society verkozen. In 1912 kreeg hij de Copley Medal. In 1913 trad hij vanwege zijn slechte gezondheid terug, maar vanuit huis bleef hij nog enige jaren doorgaan met het doceren van de wiskunde.

Felix Klein overleed in 1925 op 76-jarige leeftijd in Göttingen.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Primair:

  • 1887. "(en) The arithmetizing of mathematics" in Ewald, William B., ed., 1996. From Kant to Hilbert: A Source Book in the Foundations of Mathematics, 2 vols. Oxford Uni. Press: 965-71.
  • 1921. "(de) Felix Klein gesammelte mathematische Abhandlungen" R. Fricke and A. Ostrowski (eds.) Berlin, Springer. 3 volumes. (online copy at GDZ)
  • 1890. "(de) Nicht-Euklidische Geometrie"