Fenomenalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Fenomenalisme is een stellingname over de waarneming in de filosofie van de geest en de wetenschapsfilosofie, die stelt dat alles dat bestaat, representaties of zintuiglijke indrukken zijn van externe objecten in onze geesten en niet de objecten zelf.

Algemeen[bewerken]

Fenomenalisme is een radicale vorm van empirisme, en heeft zijn wortels in de ontologische visie op de natuur van de ervaring, zoals gegeven in George Berkeley's subjectief idealisme. John Stuart Mill had een waarnemingstheorie, die ook wel klassiek fenomenalisme genoemd wordt.

Het fenomenalisme werd overgenomen door Bertrand Russell en vele logisch positivisten in de loop van de vroege 20e eeuw[1]. De theorie hield echter maar een korte tijd stand. Latere filosofen zoals bijvoorbeeld Alfred Jules Ayer namen een meer linguïstische benadering ten aanzien van de betekenis van zintuiglijke indrukken.

Literatuur[bewerken]

  • Isaiah Berlin (2004), The Refutation of Phenomenalism. The Isaiah Berlin Virtual Library.
  • John Bolender (1998), "Factual Phenomenalism: a Supervenience Theory", in SORITES Issue #09. April 1998. Pp. 16-31.
  • R. Chisholm (1948), "The Problem of Empiricism", in: The Journal of Philosophy 45 (1948): 512-7.
  • Arthur Danto (1965), Nietzsche as Philosopher, Macmillan, 1965
  • Arthur Danto (1989), Connections to the World, Harper & Row, 1989.
  • R. Firth (1950), "Radical Empiricism and Perceptual Relativity", in: Philosophical Review.
  • C. I. Lewis (1946), An Analysis of Knowledge and Valuation, LaSalle, Illinois: Open Court, pp. 240, 248-9.
  • Gianni Vattimo en Gaetano Chiurazzi red. (2004), "Fenomenismo", in: L'Enciclopedia Garzanti di Filosofia, Third Edition. Milan: Garzanti.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Russell, Bertrand, Mysticism and Logic and Other Essays, London, Longmans, Green, 1918.