Fiduciair geld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Assignaat voor 500 livres uit 1794

Fiduciair geld is geld dat zijn waarde niet ontleent aan de materie waaruit het gemaakt is (intrinsieke waarde zoals bij gouden en zilveren munten), maar aan het vertrouwen dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden. De nominale waarde berust dus niet op een bepaald gewicht en gehalte van edelmetaal maar op het vertrouwen dat de economische actoren stellen in de waarde van de munteenheid. Het woord fiduciair is afgeleid van het Latijnse woord voor vertrouwen.

Voorbeelden van fiduciair geld zijn het wettig betaalmiddel in de vorm van papiergeld of giraal geld, maar ook digitaal cryptografisch geld zoals bitcoin. Strikt genomen is geld altijd fiduciair. Ook voor geld dat gebaseerd is op een grondstof is de waarde van dit geld ontstaan door het feit dat het goed geschikt is voor gebruik als betaalmiddel. In het geval van grondstofgeld en cryptografisch geld is het initiële vertrouwen dat leidde tot het gebruik als geld, gebaseerd op de industriële bruikbaarheid van respectievelijk de grondstof of cryptografische cash.

Vaak zal aan dit vertrouwen een wettelijke basis ten grondslag liggen, zoals bij een wettig betaalmiddel. Hierdoor zal het vertrouwen mede gebaseerd zijn op het vertrouwen dat burgers in de overheid ofwel de muntheer hebben. In dat geval wordt het geld ook wel fiatgeld genoemd. Het woord fiat komt uit het Latijn en betekent 'Laat het zo zijn'.

De overheid stelt zich tot taak ervoor te zorgen dat de geldhoeveelheid die in omloop is niet te veel uit de pas loopt met de hoeveelheid beschikbare producten en diensten die in de samenleving wordt geproduceerd. Wordt er te veel geld in omloop gebracht, dan treedt er inflatie op. De overheid probeert het vertrouwen in het fiduciair geld in stand te houden doordat zij

  • het accepteren ervan verplicht stelt,
  • dit geld als middel erkent om belastingschulden mee te vereffenen,
  • en erop toeziet dat er niet te veel van dit geld in omloop wordt gebracht door bijvoorbeeld de algemene banken.

Voordelen papiergeld en elektronisch geld[bewerken]

Papiergeld en elektronisch geld hebben veel voordelen t.o.v. grondstofgeld zoals edelmetalen. Allereerst voorkomt het eenvoudige vormen van bedrog, bijvoorbeeld door individuen die kleine hoeveelheden edelmetaal van munten af proberen te halen, en de munt vervolgens alsnog als heel proberen uit te geven. Dit schrapen van munten was in de middeleeuwen een veelvoorkomend gebruik, waardoor vaak alsnog een munt nagewogen moest worden. Papiergeld en elektronisch geld voorkomt bijvoorbeeld dat personen met grote hoeveelheden gewicht van een bepaald edelmetaal moeten lopen.

Voor- en nadelen van fiatgeld[bewerken]

Fiatgeld vergroot de flexibiliteit voor de overheid om geld uit te geven, doordat er tegen geringe kosten meer of minder geld in omloop gebracht kan worden.

Inflatie van de geldhoeveelheid kan echter zowel voorkomen in het geval van fiatgeld als in het geval van grondstofgeld. Toen de Spaanse veroveraars grote hoeveelheden goud en zilver uit Zuid-Amerika naar het vaderland brachten, importeerde de Spaanse economie hiermee een enorme inflatie.

Het belangrijkste voordeel van fiatgeld is tevens het belangrijkste bezwaar: het geeft de overheid de mogelijkheid om geld bij te maken. Dit privilege kan onder politieke druk misbruikt worden door de overheid, met inflatie of zelfs hyperinflatie ten gevolg. In de bijna honderd jaar dat er in de (westerse) wereld in meer of mindere mate met fiduciair geld wordt gewerkt heeft er overal een zeer aanzienlijke geldontwaarding plaatsgevonden.

Geschiedenis[bewerken]

Het fiduciair geld begon met wissels die door een bankier aan goede cliënten werden verstrekt, waarmee zij bij een aan hem gelieerde bankier in een andere stad een bepaalde hoeveelheid gouden of zilveren munten konden krijgen. Deze papieren maakten het overbodig om op reis te gaan met grote hoeveelheden metaalgeld, die gemakkelijk konden worden gestolen. (Met wissels gaat dat niet als zij op naam van een bepaalde persoon staan.)

Op den duur begonnen wissels bij grote transacties het metaalgeld grotendeels te verdringen.

Een stap verder is dat er van overheidswege papieren worden uitgegeven, een soort wissel "aan toonder", op grond waarvan een door de staat daartoe gemachtigde bank "aan toonder" een bepaald bedrag in gouden munt betaalt.

De Bank van Amsterdam begon hier vroeg in de 17e eeuw mee. De praktijk leerde dat, zo lang de reputatie van de bank niet geschokt werd, deze biljetten vaak van de ene particuliere persoon aan de andere werden overgedragen en dat de houders ervan zich maar betrekkelijk zelden tot de bank wendden om betaling in specie te krijgen.

De "Bank of England" kreeg in 1688 machtiging om papieren geld uit te geven. In ruil daarvoor financierde zij een deel van de Engelse staatsschuld. De Bank of England zorgde er wel voor dat er niet te veel papiergeld werd uit gegeven, zodat het vertrouwen behouden bleef.

Een experiment met papiergeld in Frankrijk in 1719 en 1720, waar de Schotse bankier John Law van de Regent, Philippe d’Orléans, machtiging kreeg tot het uitgeven van papiergeld liep echter minder goed af. Ook de assignaten die de Franse Republiek in de jaren van de revolutie uitgaf, verloren spoedig een groot deel van hun waarde. Dit soort negatieve ervaringen vertraagde de opmars van het fiduciair geld aanzienlijk.

De initiatieven tot het uitgeven van fiduciair geld bleven echter aanhouden. Een economisch bestel met alleen gouden en zilveren munten kent namelijk grote problemen. De aanwezige hoeveelheid edelmetaal is doorgaans onderhevig aan vrij grote schommelingen en perioden van "geldtekort" waren niet zeldzaam. Dan was het handig als er een flinke hoeveelheid (betrouwbaar) papiergeld kon worden uitgegeven. Ook vergemakkelijkte de uitgave van papiergeld de financiering van overheidsuitgaven in crisistijd en van grote investeringsprojecten zoals spoorwegen en kanalen.

In de 19e eeuw bleef het papiergeld nog steunen op een garantie van betaling in gouden munt (zie: goudstandaard). In de 20e eeuw werd de betekenis van de gouddekking steeds geringer, zodat ons geld tegenwoordig volledig fiduciair geworden is. Wel is er daarnaast een nieuw soort geldhandel bijgekomen, namelijk die in elektronische, digitale en virtuele geldsoorten die niet allemaal landgebonden zijn, zoals cryptogeld, bitcoins en digital gold currencies (digitale goudhandel).