Filologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Steen van Rosetta, waarmee een doorbraak werd bereikt in het ontcijferen van Egyptische hiërogliefen.

Filologie (van het Griekse Φιλος, philos: "liefde" en het Griekse λογος logos: "woord, rede") is een tak van taalkunde die zich vooral richt op dode talen. Het woord werd voor het eerst gebruikt door Plato in diens dialoog Phaedrus in de betekenis "voorliefde voor redevoeringen".

Een filoloog bestudeert de taal- en letterkunde van volkeren door middel van beschikbare geschriften in samenhang met de cultuurgeschiedenis van een volk. Hij tracht door zorgvuldige studie van context en oorsprong van woorden zin en betekenis aan taaluitingen te geven, waarbij zijn lijfspreuk is ad fontes: "(terug) naar de bronnen".

De term raakt in onbruik omdat in sommige landen het vakgebied tegenwoordig vaak ingebed is in het vakgebied van de taalwetenschappen in het algemeen. Meer dan op het Europees vasteland is in het Engelse taalgebied het begrip Philology bijna synoniem met de vakgebieden vergelijkende- en historische taalkunde.

In de klassieke oudheid werd de term filologie van toepassing geacht op alle wetenschapsbeoefening. In Europa brak de filologie als volwaardige wetenschap pas in de 19e eeuw volledig door. Dit volwassen worden gebeurde tegelijkertijd met het afsplitsen van een aantal andere vakgebieden die ook zelfstandigheid (en specialisatie) nastreefden (archeologie, paleografie, etymologie, mythologie, volkenkunde etc.). In de wetenschap bestaat vaak een spanningsveld tussen filologen en systematici; de eersten verliezen zich soms in de details en hebben geen oog voor het grote geheel, de laatsten offeren de details op aan hun Weltanschauung.

Binnen de filologie bestaan nog verdere specialisaties, zoals Germanistiek en Romanistiek.

Bekende filologen[bewerken]