Flateyjarbók

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koning Harald I van Noorwegen krijgt Noorwegen van zijn vader in deze illustratie uit het Flateyjarbók

Het Flateyjarbók is een van de belangrijkste middeleeuwse IJslandse manuscripten. Het is ook bekend onder de naam GkS 1005 fol. en Codex Flatöiensis.

Beschrijving[bewerken]

Het Flateyjarbók is het grootste middeleeuwse IJslandse manuscript. Het bevat 225 velijnbladen, alle fijn beschreven en geïllustreerd. Het bevat vooral saga's van Noorse koningen, zoals die worden gevonden in de Heimskringla, meer bepaald de saga's over Olaf I, Olaf II, Sverre I , Haakon IV, Magnus I en Harald III. In het Flateyarbók worden details[1] beschreven die nergens anders te vinden zijn en van andere manuscripten verschillen. Het meeste, maar niet al het extra materiaal wordt binnen de koninklijke saga's geplaatst. Dit manuscript bevat ook de enige kopie van het Eddische gedicht Hyndluljóð, een unieke reeks annalen van het begint tot 1394, en vele korte verhalen die anders niet bewaard gebleven zouden zijn, zoals Nornagests þáttr ('Het verhaal van Norna Gest').

Belangrijk is de Grœnlendinga saga ("Geschiedenis van de Groenlanders"), die een verslag geeft van de ontdekking en poging tot kolonisatie van Vinland. Deze verschilt op enkele punten van Eiríks saga rauða ('Geschiedenis van Erik de Rode'), die over hetzelfde onderwerp handelt. In het Flateyjarbók staat de enige IJslandse versie van de Orkneyinga saga ('Geschiedenis van de Orkney-eilanders') en de Færeyinga saga ('Geschiedenis van de Faeröerders').

Geschiedenis[bewerken]

Uit intern bewijs kunnen we afleiden dat het boek werd geschreven van 1387 tot omstreeks 1394 of kort daarna. De eerste pagina leert ons dat het boek eigendom was van de zoon van Jonn Hakonar en dat het boek werd geschreven door twee priesters. Een van hen, zoon van Jon prestr Þórðar, schreef de verhalen van Eirík de Reiziger tot aan het einde van de twee Olafsaga's en de andere, de zoon van Magnús prestr Thorhallz, schreef het materiaal dat ervoor en erna kwam, en illustreerde het boek. Ander materiaal werd toegevoegd in de 14de en 15de eeuw.

Het manuscript kreeg voor het eerst aandacht van de geleerden toen bisschop Brynjólfur Sveinsson van Skálholt in 1651, met toestemming van koning Frederik III van Denemarken, aan iedereen op IJsland die oude manuscripten had, verzocht om ze over te dragen aan de Deense koning, ofwel door het origineel te geven, ofwel een kopie, ofwel als geschenk, ofwel tegen een prijsje. Jon Torfason, zoon van dominee Torfi Finsson, die op het eiland Flatey (vlak eiland) in de Breiðafjörður aan de westkust van IJsland woonde, was toentertijd de eigenaar van het boek dat nu bekendstaat als het Flateyjarbók (boek van Flatey). Eerst weigerde Jon om zijn kostbare erfstuk af te geven, het grootste en beste boek van heel IJsland. Jon bleef weigeren, zelfs toen bisschop Brynjólfur hem persoonlijk een bezoek bracht en vijf herred aan land beloofde. Maar Jon veranderde zijn standpunt en schonk het aan de bisschop, die net het gebied aan het verlaten was, en als beloning werd Jon vrijgesteld van alle toekomstige kerkelijke belastingen.

Het manuscript werd in 1662 in bewaring gegeven aan Thormod Torfæus, als een geschenk van Bisschop Brynjólfur aan koning Frederik III en het werd in het Koninklijk Museum van Kopenhagen geplaatst. De rest van bisschop Brynólfurs collectie werd verspreid door zijn opvolgers, die geen interesse hadden in oude manuscripten. De meeste zijn voor altijd verloren, hoewel van vele manuscripten een transcriptie bewaard gebleven is. In 1971 werd het Flateyjarbok en de Codex Regius gerepatrieerd naar IJsland.

Inhoud[bewerken]

Het Flateyjarbók bevat de volgende teksten:

Referenties en externe links[bewerken]

Noot[bewerken]

  1. zoals Norna-Gests þáttr ('Het verhaal van Norna-Gest'), Styrbjarnar þáttr Svíakappa ('Het verhaal van Styrbjörn, de Zweedse kampioen'), Hróa þáttr heimska ('Het verhaal van Roi de gek') en Völsa þáttr ('het verhaal van de Phallos').