Fossiele overgangsvormen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Fossiele overgangsvormen zijn de gemineraliseerde overblijfselen van een organisme dat primitieve kenmerken bezit in vergelijking met de meer afgeleide levensvormen waarmee het direct verwant is. Volgens de evolutietheorie vertegenwoordigt een overgangsvorm een evolutionaire overgang.

Toen Charles Darwins boek The Origin of Species (De oorsprong der soorten) voor het eerst uitkwam, was de kennis van het fossielenbestand nog erg onvolledig en de aanname dat er geen fossiele overgangsvormen bestonden vrij redelijk. Echter, de ontdekking van Archaeopteryx slechts twee jaar later werd gezien als een overdonderende triomf voor Darwins theorie van gemeenschappelijke afstamming. Sinds die tijd zijn er voortdurend nieuwe fossiele overgangsvormen gevonden, wat onze kennis van de evolutie van het leven steeds meer vergroot.

Vaak wordt er gesproken over een 'missing link', zoals die tussen mensen, apen en hun gemeenschappelijke voorouders. De term leidt echter tot misvattingen, want het wekt de indruk dat er slechts sprake is van een enkele ontbrekende schakel. In realiteit geven de opeenvolgende vondsten van meerdere fossiele overgangsvormen een steeds completer beeld van een evolutionaire overgang.

Op dit ogenblik wordt het verloopproces van de thesis van de "overgangsvormen" wat in twijfel gesteld. Men stelde namelijk vast dat de ontwikkeling van de soorten zich niet noodzakelijk geleidelijk voordeed, maar eerder in plotse "sprongen" (zie ook punctuated equilibrium). Grote, fundamentele veranderingen gebeurden plots, over een periode van hooguit enkele tienduizenden jaren, om welke reden dan ook. Bijvoorbeeld forse klimaatveranderingen. Binnen die korte perioden kunnen wel geleidelijke overgangsvormen ontstaan, waarna de soorten weer zeer langdurig stabiel blijven en geen wezenlijke veranderingen ondergaan. Dit wordt beschreven in het boek "The new evolutionary timetable" van Steven M. Stanley (1981), ISBN 0-465-05013-1, Basic Books, Inc., Harper, New York. Een andere bekende voorstander van deze theorie is Stephen Jay Gould.


Overgangsvormen en kladistiek[bewerken]

Vóór de algemene aanvaarding van kladistiek of fylogenetische systematiek in de paleontologie, werden evolutionaire stambomen geschetst als het voortkomen van de ene groep uit de andere en de overgangsvormen werden op de grenzen hiervan geplaatst. Met de etablering van kladistische methoden worden verwantschappen tegenwoordig strikt uitgedrukt in zogenaamde cladogrammen, met daarin de reële vertakkingen van de evolutionaire lijn uitgedrukt. De verschillende natuurlijke ofwel monofyletische groepen vormen in elkaar geneste eenheden die niet overlappen. Binnen de kladistiek is er in principe dus geen sprake meer van overgang tussen categorieën, maar van differentiatie binnen categorieën. In deze context kunnen overgangsvormen gedefinieerd worden als de verschillende aftakkingen van een cladogram tussen één bepaalde aftakking en de kroongroep, d.i. de groep die aan het uiteinde van het cladogram wordt geplaatst.

Een voorbeeld hiervan is dat in de traditionele taxonomie het regelmatig gebeurt dat aan een groep dezelfde rang wordt toegekend als aan de groep die hem evolutionair gezien omvat. Zo maken vogels door hun afstammingsgeschiedenis deel uit van de reptielen, maar Aves (Vogels) en Reptilia (Reptielen) hadden beide de rang van Klasse. Dankzij de kladistiek is het veel duidelijker te zien dat de overgang van reptielachtige vormen naar vogelachtige vormen een glijdende transitie is en niet abrupt.