François Furet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

François Furet (Parijs, 27 maart 1927 - Toulouse, 12 juli 1997) was een Frans historicus. Hij was een specialist op het gebied van de Franse Revolutie en het communisme.

Leven[bewerken]

Hij werd geboren in een welgesteld gezin, waarvan de vader bankier was. Zijn middelbare school deed hij aan de lycée Janson-de-Sailly, waar hij een briljante student was. Nadien studeerde hij verder aan de Letteren- en Rechtenfaculteit van Parijs, tot hij zijn studies moest onderbreken in 1950 wegens tuberculose. In die tijd verbleef hij verschillende maanden in een sanatorium in de Alpen.

In 1954 behaalde hij zijn aggregaat in de geschiedenis en wordt benoemd tot leraar aan het lycée van Compiègne waar hij een jaar les gaf alvorens naar Fontainebleau te verhuizen. In 1956 begon hij aan het CNRS onderzoek te verrichten naar de Franse Revolutie.

Furet was reeds zeer vroeg een politieke militant. Hij werd lid van de Parti Communiste Français in 1947 en verliet deze in 1959, drie jaar na de gebeurtenissen in Hongarije, om mee te werken aan de oprichting van de Parti socialiste unifié. Na mei 1968 was hij raadgever van Edgar Faure en tegelijkertijd journalist bij het opinieblad France-Observateur, (de latere Nouvel Observateur). In 1995 publiceerde Furet Le passé d'une illusion (waarvan de titel een toespeling is op het werk van Sigmund Freud, L'avenir d'une illusion - Die Zukunft einer Illusion) waarin het twintigste-eeuwse communisme geanalyseerd wordt, waarvoor hij zowel zijn eigen ervaring als militant gebruikte als zijn grondige kennis van de Franse Revolutie.

In 1960 begon hij aan de École des Hautes Etudes en Sciences Sociales, waar hij het grootste deel van zijn carrière doorbracht. Hij was er voorzitter van 1977 tot 1985, waarna hij naar de USA vertrok om er les te geven in Chicago. Door deze overzeese activiteiten kreeg hij een eredoctoraat van de Harvard-universiteit.

Begin 1997 werd hij verkozen tot lid van de Académie française. Hij overleed in de zomer van datzelfde jaar aan de gevolgen van een ongeluk tijdens het sporten, en zijn officiële beëdiging heeft daardoor niet kunnen plaatsvinden.

De Franse Revolutie[bewerken]

Als specialist in de 18de eeuw heeft Furet met zijn boek La Révolution Française (1965), dat hij uitbracht in samenwerking met zijn zwager Denis Richet, een epistemologische breuk teweeggebracht in het historisch onderzoek naar deze periode. Na verschillende decennia waarin de Nationale Conventie en het Comité de salut public in het centrum van de aandacht van het universitaire onderzoek stonden, plaatste hij zijn boek resoluut in een breder perspectief. De Thermidor, die door historici als Alphonse Aulard, Albert Mathiez, Georges Lefebvre en Albert Soboul gewoonlijk aangezien werd als het einde van de Grote Revolutie, stelde hij voor als een aanzienlijk minder drastische breuk.

Deze keuze voor een nieuwe analyse van de revolutionaire periode door de Thermidorse Conventie en het Directoire bij te betrekken is niet zonder betekenis. Furet gaat daarbij in tegen de theorieën van de marxistische historici. Voor deze laatsten, zeker voor Soboul en Lefebvre, was de Franse Revolutie in de eerste plaats een uitdrukking van een massarevolte van de bevolking zoals de jacobijnse beweging die gedragen werd door de sansculotten en verdween na de 9de Thermidor.

Niet zonder polemieken te veroorzaken in de Franse universitaire wereld, verdedigde François Furet het idee van een revolutie van elites die in 1793 uit de hand is gelopen. De gewelddadige verbeurdverklaring van de macht door de massa tijdens de Terreur heeft de vreedzame koers van een modernisering van bovenaf verstoord vanaf 1789. Hij verdiepte zich in deze bedenkingen in zijn werk Penser la Révolution française, dat gepubliceerd werd in 1978. Hij herontdekte daarin de werken van Augustin Cochin, die uit de historiografie verdwenen was na zijn dood in 1916, en kwam er terug op zijn theorie over de dérapage, waarbij hij de wortels van de Terreur terugvoerde naar 1789 en mogelijke gelijkenissen ontdekt tussen de Terreur en de Revolutie in haar geheel. In zijn synthese La Révolution 1770-1880, waarbij hij de lange duur onderzoekt, wijst hij op de continuïteit tussen het Ancien Régime en de Revolutie, waaraan pas een einde kwam bij het aan de macht komen van de opportunistische republikeinen, die zich afscheidden van de democratie en weigerden de individuele vrijheid op te offeren aan de historische noodzaak.

Literatuur[bewerken]

  • "Het verleden van een illusie", Amsterdam, Meulenhoff, 1996, 735p.