Franken (volk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Franken is de naam voor een verbond van reeds eerder bekende Germaanse stammen, dat omstreeks 250 tot stand kwam onder waarschijnlijk Saksische druk langs de Rijngrens van het Romeinse Rijk in vooral de Romeinse provincie Germania Inferior in het huidige Nederland en het Rijnland.

Indeling[bewerken]

De Franken wisten na hun binnenvallen in Romeins gebied (274 n.Chr.) de Romeinse macht in een groot deel van het huidige Rijnland te breken. Deze groep Franken wordt ook wel aangeduid als de Ripuarische Franken. Weliswaar wisten de Romeinen in de periode 290-300 n.Chr. hun macht over de Rijn opnieuw te vestigen; de streek werd echter niet opnieuw geromaniseerd. De Franken namen geleidelijk de lokale machtspositie over de bewoners van het gebied over van de Romeinse elite die voor een deel wegtrok naar Gallië. Halverwege de vierde eeuw kwam er een samenwerkingsverband tussen de zogenaamde Salische Franken en de Romeinen tot stand, waardoor deze Salische Franken de beschikking kregen over het gebied Toxandrië, Van daar uit wisten zij na 406 n.Chr. hun macht eerst geleidelijk en rond het jaar 500 zeer snel uit te breiden over een groot deel van het huidige Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk. In dezelfde periode wisten de Ripuarische Franken hun macht te vestigen in het Rijnland, het huidige Limburg (Nederlands en Belgisch), Oost-België, Luxemburg en delen van Noordoost-Frankrijk. Rond 500 verenigde Clovis beide groepen Franken in het Merovingische Rijk.

Naam, herkomst, samenstelling en verspreiding[bewerken]

Naam[bewerken]

Het woord "frank" zou 'dapper' kunnen betekenen in het Germaans. Deze oorsprong is wellicht terug te vinden in het Oudnoordse woord frekkr, dat 'gehard' en 'moedig' betekent. Later zou het de betekenis van 'vrij (van Romeinse overheersing)' gekregen hebben. Een wortel "frank" kwam in het Oudgermaans in elk geval niet voor.
Via de minder waarschijnlijke etymologie frie-rancken ('libere vacantes')[1] zou het woord ook 'vrije reizigers' kunnen betekenen [2].
Een derde, meer historisch dan taalkundig verantwoorde mogelijkheid is, dat het woord Francus zou afgeleid zijn van het Latijnse frangere (doden, vernietigen) en dus krijger, doder, soldaat zou betekenen. Het zou hier gaan om gepensioneerde officieren die na hun diensttijd binnen het Romeinse leger, voornamelijk de Nervische cohorten langs de Rijn, zich als handelaars gevestigd hadden op de rechteroever en zich in het begin voornamelijk op de zeer lucratieve zouthandel toelegden. Zout werd als gedeeltelijk loon aan de legioensoldaten verdeeld (salaris). Ze zouden slechts in beperkte mate versmelten met de lokale Germaanse bevolking. Dat kan verklaren waarom Tacitus ze niet vermeldde ( = geen 'echte' Germanen) en waarom ze zich tot 485 (Clovis) beperkten tot wat tegenwoordig Vlaanderen (+ beneden de Moerdijk) heet. Lokale handelaars, meestal van Germaanse oorsprong en zonder die militaire 'traditie', werden dan 'Ripuarisch' genoemd. Deze hypothese zou meteen hun militaire én financiële macht verklaren (oorlogen kosten veel geld).[bron?]

Herkomst[bewerken]

Ze werden nog niet vermeld door de historicus Tacitus, die wel gewaagde van Istvaeones, evenals Plinius de Oudere. De vroegste verwijzingen naar de Franken dateren uit het midden van de derde eeuw en handelen over de vestiging van Frankische groepen ten noordoosten van de Rijn en de opsplitsing in twee deelgroepen, de Salische Franken en de Ripuarische Franken. Men gaat ervan uit dat de Franken oorspronkelijk zijn ontstaan als een soort verbond tussen diverse Germaanse stammen. Genoemd worden de Usipeti, Tencteri, Sugambri en Bructeri, die woonden in het dal van de Rijn (middenloop en Beneden-Rijn) en de gebieden direct ten oosten daarvan. Gregorius van Tours, die rond 570 een geschiedenis van de Franken geschreven heeft, zegt dat koning Clovis een 'Sicamber' genoemd werd.

De cultuur, taal en gebruiken van de Franken waren vrijwel gelijk aan die van verwante West-Germaanse volken.

Sommige verwerpen de algemeen aanvaarde theorie dat de Franken in het midden van de derde eeuw zijn ontstaan als een verbond van eerder bestaande Germaanse stammen. Zo zoekt men bijvoorbeeld een oorspronkelijk stamgebied in het huidige Pommeren (Noordoost-Duitsland) of op de Deense eilanden.[3] Gregorius van Tours noemde een legende dat de Franken uit Pannonia afkomstig zouden zijn geweest.

Samenstelling[bewerken]

Bevolking van Germania Magna (in geel en wit) ten tijde van Romeins keizer Augustus (10 na Chr.)

Tot de Franken in etnologische zin rekent men gewoonlijk de West-Germaanse stammen van de:

Het gebied van de Ripuarische (Rijn-) Franken besloeg het gehele midden- en lagere Rijngebied, het gebied ten oosten van de Maas en het gebied langs de Moezel. In de Lage Landen heersten de Ripuarische Franken over het gebied boven de Beneden-Rijn (de Betuwe en Hamaland).

Verspreiding[bewerken]

De vestiging van Frankische stammen tussen 260 en 537 geeft een geleidelijke verbreiding te zien vanaf de oevers van de Rijn naar het zuiden en westen. Rond 480 bezetten zij een gebied dat bijna geheel los lag van hun oorspronkelijke territorium, hoewel er rond 537 weer enige overlapping was met de oorspronkelijke grenzen van hun gebieden. Het is niet bekend wat de drijvende krachten waren achter deze migratie, maar het zou te maken kunnen hebben met het klimaat. Zie voor het verloop van de migratie bijgaande vier kaartjes: afbeelding. De trek van de Franken naar het zuidwesten werd vermoedelijk mede veroorzaakt door de trek rond 440-450 van de Saksen naar Engeland via de tegenwoordige Nederlandse kust, en daaruit voortvloeiende conflicten met de Frankische bewoners aldaar.

Overname van het Romeins gezag[bewerken]

In de vijfde eeuw na Chr. stortte het Romeinse gezag in West-Europa ineen. In de noordelijke streken, waaronder het gebied van het latere Nederland en België, betekende dat grotendeels een terugval in de beschaving, zelfs gedeeltelijk terug naar de prehistorie: de meeste geletterde bewoners van onze streken trokken weg naar het zuiden, er werd bijna niets meer op schrift gesteld en ook zijn de aanwezige Romeinse schriftelijke archieven verloren gegaan in die woelige tijden. Daarom zijn er maar weinig betrouwbare bronnen over deze tijd en wordt de meeste kennis voor een reconstructie van de geschiedenis van die tijd uit archeologische opgravingen gehaald. Wel is bekend dat de (Salische) Franken in 358 van de Romeinse generaal (en wat latere keizer) Julianus de status van foederati ('bondgenoten') kregen op Romeins gebied in de Scheldevallei en tussen de grote rivieren. Er waren eerder al verscheidene Romeinse pogingen gedaan om de binnengeslopen Franken onder (belasting)controle te krijgen maar tevergeefs. De status van foederati betekende dat de Franken voor de verdediging van dat deel van het Romeinse Rijk moesten instaan, in ruil voor de afschaffing van belastingbijdragen. De Franken namen de vrijheid om dit verdrag (feodus) ruim te interpreteren en controleerden al snel het hele huidige Nederland (beneden de rivieren) en Noord-België. Daar werden ze de nieuwe elite. Hun machtscentrum vestigden ze later in de stad Doornik.

Groei van het Frankische rijk in de vroege middeleeuwen (481–814)

Tien jaar na het afzetten van Romulus Augustulus als laatste Romeinse keizer in West-Europa versloeg de Frankische koning Clovis in 486 de 'Romeinse generaal' Syagrius (eigenlijk een plaatselijke krijgsheer) bij Soissons, zodat het noorden van Gallië in zijn handen viel. Clovis bracht zijn hofhouding over naar Lutetia (het huidige Parijs wat sindsdien de hoofdstad van het land is) en het hele gebied van Gallië erfde uiteindelijk de naam Francië van hun nieuwe heersers. In de 6e tot en met de 8e eeuw veroverden de Franken geleidelijk aan ook de nooit door Rome bezette westelijke streken van Germania Magna ten oosten van de Rijn en ten Noorden van de Donau (grofweg de gebieden van het huidige Duitsland, Tsjechië en Oostenrijk) en Helvetia (Zwitserland). Onder de Karolingische dynastie bezetten de Franken tenslotte nog het grootste deel van huidig Italië en de strook van Noord-Spanje tussen de Ebro en de Pyreneeën, en vormden daarmee de machtigste nieuwe staat sinds de val van het West-Romeinse Rijk. Deze Frankische expansie werd letterlijk bekroond, toen Karel de Grote in het jaar 800 tot nieuwe 'keizer van het West-Romeinse Rijk' werd gekroond door de paus.

Het einde van de Franken als apart volk[bewerken]

In de vroegere Romeinse streken assimileerden de Franken geleidelijk in de Latijnstalige bevolking die getalsmatig veel groter was dan de kleine bovenlaag van Frankische heersers. Vooral toen de Franken zich tot het christendom (katholicisme) bekeerden, vergemakkelijkte dit het assimilatieproces. Geleidelijk versmolt de nieuwe Frankische met de oude Gallo-Romeinse toplaag door onderlinge huwelijken. Dit proces heeft echter lang geduurd. De Frankische koningen bleven tot na Karel de Grote hun Germaanse taal spreken en zelfs van nadien zijn er bewijzen dat de adel uit de omgeving van Parijs hun zonen naar het noorden stuurden omdat daar beter Frankisch gesproken werd. Buiten de vroegere Romeinse rijksgrens ging het samensmelten van de onderling toch al verwante West-Germaanse stammen vrij geruisloos en na 900 was het oorspronkelijke stamonderscheid nog maar van weinig betekenis. Zie ook het ontstaan van de Taalgrens tussen Romaans en Germaans Europa.

De Lage Landen als erfgenamen van de Franken[bewerken]

In politiek opzicht heeft het oude stamonderscheid sinds de 11e eeuw weinig betekenis meer. In cultureel opzicht echter bleven de dialecten door de eeuwen heen steeds verder uit elkaar groeien. Door grote taalveranderingen, onder meer veroorzaakt door toenemende regionale verschillen tussen Frankische dialecten toen de rondzwervende stammen van de volksverhuizingen zich definitief op vaste woonplekken vestigden, raakte ook het Frankisch zelf verdeeld in Nederfrankisch, Middelfrankisch en Hoogfrankisch. Het onderscheid tussen Nederduits en Hoogduits werd zo belangrijker dan het, overigens ook toenemende, verschil tussen Frankisch en Saksisch. Het algemene proces van differentiatie werd pas veel later omgekeerd door de invoering van het massaonderwijs. Het Standaardduits is een mengeling van Saksische en Frankische elementen. De volledige eenwording van alle West-Germaanse dialecten is niet doorgegaan doordat er twee standaardtalen ontstaan zijn: het Nederlands en het Duits.

Het Nederlands stamt voor een groot deel af van Nederfrankische dialecten. Het Limburgs dat in Wallonië nog in de streek van Overmaas gesproken wordt, is door de Franse Gemeenschap erkend als het Frankisch of francique. Er zijn maar weinig documenten bewaard die het mogelijk maken het ontstaan van het Oudnederlands goed te bestuderen. De Franken stonden er om politieke redenen op dat de schrijftaal Latijn was om zo beter aansluiting te krijgen bij hun Romaanstalige onderdanen, hoewel Karel de Grote een -helaas verloren gegaan- boek met oude volksverhalen in zijn eigen taal liet schrijven. Toch zijn er vanaf de 6e eeuw in bijvoorbeeld de Salische wet enige Frankische taalresten aangetroffen.

In de noordelijker gewesten van Nederland hadden lange tijd de Friezen de overhand, vooral langs de kust. In tegenstelling tot Friezen en Saksen gingen de Franken al vroeg, omstreeks 490, tot het katholieke christendom over. Utrecht was lange tijd een Frankisch bolwerk van waaruit werd geprobeerd ook de Friezen te kerstenen (en te onderwerpen). Aan het einde van de 8e eeuw was de kerstening van Friezen en Saksen in volle gang.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Edward James, De Franken (vertaald uit het Engels: The Franks), druk 1990, 278 blz., uitgeverij Ambo - Baarn, ISBN 90-263-1044-7
  • Luit van der Tuuk, Koningen en krijgsheren. De Franken in de Lage Landen (2009 Omniboek – Kampen), ISBN 978-90-5977-421-6

Referenties[bewerken]

  1. Cellarius, Notitias orbis antiqui, Leipzig, 2 volumes, 1701, bij Schwarz, Remarques sur la géographie ancienne de Céllarius.
  2. Rank als variant van Wrang. Leipzig, 1732, deel II, p. 61.
  3. Grabois, Aryeh: Enzyklopädie des Mittelalters. Zürich: Edition Atlantis 1988, bl. 212