Frans Coenen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Frans Coenen (Amsterdam, 24 april 1866 - aldaar, 23 juni 1936) was een Nederlands schrijver, essayist en criticus.

Coenen was afkomstig uit een burgerlijk Amsterdams gezin. Hij leed aan astma, welke ziekte hem afsloot van contact met leeftijdgenoten. Hij doorliep het gymnasium in Amsterdam en Utrecht en deed in 1886 staatsexamen. Hij studeerde rechten in Amsterdam en promoveerde in 1892 tot doctor in de rechtswetenschap bij J.P. Moltzer op de dissertatie De Fransche wet tot bescherming van verwaarloosde en mishandelde kinderen. In zijn studietijd ontdekte hij zijn schrijftalent. Naast journalistieke arbeid en enkele novellen, veelal in Propria Cures gepubliceerd, werkte hij aan wat later de roman Verveling zou worden.

In 1895 werd hij benoemd tot conservator van de kunstverzameling Willet-Holthuysen aan de Herengracht te Amsterdam. Dit museum bracht hem bestaanszekerheid en daarnaast een grote vrijheid om voor zichzelf te werken. In hetzelfde jaar vond hij een literair onderkomen in het in dat jaar opgerichte tijdschrift De Kroniek, dat, onder leiding van P.L. Tak, de taak van De Nieuwe Gids wenste voort te zetten.

Tussen 1892 en 1905 schreef Coenen acht uiterst sombere romans en verhalenbundels, naturalistische verhalen, met een grote voorkeur voor alles wat grauw en triest, uitzichtloos en lelijk is; verveling is de belangrijkste gemoedsgesteldheid van zijn hoofdpersonen, de dood veelal het enige object van hun verlangen. Hiermee leek hij zijn existentiële pessimisme van zich af geschreven te hebben, want tussen 1905 en 1936 heeft hij, op enkele schetsen na, geen fictie meer geschreven.

Korte tijd heeft Coenen als schrijver een vooraanstaande positie ingenomen. Lodewijk van Deyssel sprak zelfs van een 'machtig kunstenaarschap'. Maar vanaf 1925 is zijn roem als schrijver van fictie voortdurend gedaald. De poging om, door een herdruk van Verveling, in het kielzog van verwante auteurs als Marcellus Emants en J. van Oudshoorn de belangstelling voor Coenen te doen herleven liep op niets uit. Zijn belangrijkste invloed heeft Coenen gehad als literair criticus, onder meer in weekblad 'De Amsterdammer', wat vanaf 1925 'De Groene Amsterdammer' ging heten. Bij elkaar verschenen van zijn hand meer dan 1600 boekbesprekingen, bijna 1000 artikelen over toneel, meer dan 300 over muziek en over schilderkunst en bijna 1000 overige tijdschriftpublicaties. Uit al zijn geschriften komt een, in de omschrijving van Herman Robbers, 'vat vol tegenstrijdigheden' naar voren. Hij was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), maar in wezen conservatief; hij schold op elke burgerlijkheid maar verlangde tegelijkertijd naar knusse intimiteit; hij bewonderde maatschappelijke energie, maar kwam anderzijds zelden uit zijn individualistische afzijdigheid. Zijn invloed als schrijver bleef daarom beperkt.

Coenen overleed aan de pijnlijke huidziekte pemphigus.

[bewerk] Bibliografie

  • 1892 - De Fransche wet tot bescherming van verwaarloosde en mishandelde kinderen
  • 1892 - Verveling
  • 1894 - Studies
  • 1896 - Een zwakke
  • 1899 - Bleeke levens
  • 1902 - Zondagsrust
  • 1903 - In duisternis
  • 1903 - Vluchtige verschijningen
  • 1905 - Burgermenschen
  • 1936 - Onpersoonlijke herinneringen
  • 2005 - Kleine ervaringen: het ongebundelde literaire werk 1902-1917, bezorgd en van een nawoord voorzien door Patrick Rooijackers. Flanor, Nijmegen. ISBN 90-73202-63-9.

[bewerk] Literatuur

[bewerk] Externe links

 
Persoonlijke instellingen