Frans Masereel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"Das Füllhorn" (De hoorn des overvloeds) van Frans Masereel

Frans Masereel (Blankenberge, 31 juli 1889 - Avignon, 3 januari 1972) was een Vlaamse graficus en houtsnijder. Het moderne leven in de grote steden tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw is door hem in houtsneden weergegeven. Over hem deed Stefan Zweig de uitspraak: "Wanneer alles ten gronde zou gaan; alle boeken, monumenten, foto's en verslagen en er bleven slechts de houtsneden die Masereel gedurende tien jaar geschapen heeft gespaard, dan zou men alleen daaruit onze hele hedendaagse wereld kunnen herbouwen."

Biografie[bewerken]

Masereel wordt geboren in Blankenberge, aan de Belgische kust, waar zijn welgestelde Gentse ouders elk jaar een à twee maanden verblijven. Hij krijgt zijn academische opleiding (aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) te Gent bij de schilder Jean Delvin.

Hij reist veel en rond 1910 gaat hij in Parijs wonen en komt daar toevallig in aanraking met de houtsnede.

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt vlucht Masereel naar het Zwitserse Genève. Daar sluit hij vriendschap met de schrijvers Romain Rolland, Stefan Zweig en Andreas Latzko, wiens boeken hij illustreert. Hij debuteert er met drie anti-oorlogsalbums: "De doden spreken" en "De doden staan op" (1917) en "De hartstocht van een mens" 1918).

Tot 1920 verschijnen een kleine duizend tekeningen in dagelijkse afleveringen in het pacifistische tijdschrift "La Feuille", waarbij hij de verschrikkingen van de oorlog in beeld brengt. Hij werkt tevens als vertaler voor het Rode Kruis.

De eerste jaren na de oorlog wordt hij door de Belgische regering beschouwd als dienstweigeraar. Hij gaat in 1920 weer in Parijs wonen en later in Équihen nabij Boulogne. Hij illustreert boeken van onder andere Victor Hugo, Tolstoi, Thomas Mann, Oscar Wilde en Hemingway. In 1926 maakt hij voor "De legende van Ulenspiegel" van Charles de Coster 167 houtsneden. In het boek "De stad" (1925) (voorw. van Pieter Jelles Troelstra) legt hij in honderd houtsneden zijn visie op het leven in de jaren twintig in de grote stad vast. Masereel wordt samen met Jan-Frans Cantré, Jozef Cantré, Henri Van Straten en Joris Minne gerekend tot 'de Grote Vijf', die de Vlaamse grafische kunst na de Eerste Wereldoorlog nieuw leven inbliezen. Na de Tweede Wereldoorlog verbleef Masereel in Avignon en in Nice. Van 1947 tot 1951 was hij leraar aan het Schule für Kunst und Handwerk in Saarbrücken. In 1950 kreeg hij op de Biënnale van Venetië de Grote Prijs van de grafiek.

De beeldroman waar hij zelf het meest van hield was "De idee". In 83 houtsneden zien we De idee -even naakt als de waarheid- achtervolgd worden door de politie en de justitie, maar ze leeft, overleeft, bemint en plant zich voort. Dit boek was zeer populair bij de Duitse anti-nazi's.

Masereel zei dat hij in de houtsnede het middel bij uitstek had gevonden dat hij zocht om zijn ideeën aan duizenden mensen bekend te maken.

De culturele organisatie Masereelfonds werd naar hem vernoemd.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • (de) Masereel; biografie door Joris Van Parys, Zürich, 1999, ISBN 3859900013

Externe links[bewerken]