Franziska Lebrun

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Franziska Lebrun
Franziska Lebrun  geportreteerd door Thomas Gainsborough (1780)
Franziska Lebrun
geportreteerd door Thomas Gainsborough (1780)
Algemene informatie
Volledige naam Franziska Dorothea Lebrun
Bijnaam Franziska Lebrun-Danzi
Geboren 24 maart 1756
Overleden 14 mei 1791
Land Vlag van Duitsland Duitsland
Werk
Genre(s) kamermuziek,
Beroep componist, muziekpedagoog
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Franziska Dorothea Lebrun (ook bekend als: Lebrun-Danzi, LeBrun en Le Brun; geboren: Danzi) (Mannheim, 24 maart 1756Berlijn, 14 mei 1791) was een Duitse componiste, zangeres (sopraan) en klaveciniste. Zij was het oudste kind van de hofmusicus en cellist Innocenz Danzi (om 1730-1798) en is de oudere zuster van de componist Franz Ignaz Danzi.

Levensloop[bewerken]

Lebrun kreeg haar eerste muziekles van haar vader Innocenz Danzi. Later studeerde zij compositie bij Georg Joseph Vogler en zang bij de Primadonna van de hofopera te Mannheim Dorothea Wendling en van de tenor Pietro Sarselli, die met de familie Danzi bevriend was. Zij werd in 1771 lid van de Mannheimer hofkapel en gaf haar debuut als "Rosina" in "L'amore artigiano" van Florian Leopold Gassmann in Schwetzingen, de zomerresidentie van de keurvorstelijke familie Karel Theodoor van Beieren en Elisabeth Maria Aloysia Auguste van Sulzbach (1721-1794).

In mei 1778 huwde zij in Londen de hobovirtuoos Ludwig August Lebrun en verbeterde haar kunnen als zangeres. In het gevolg van de vertrekking van de residentie van de keurvorst naar München vertrok ook het echtpaar Lebrun naar München en was verbonden aan het Cuvilliés-Theater aldaar. Franziska Lebrun gasteerde aan verschillende bekende opera's in Europa. In 1778 trad zij op in het Teatro alla Scala in Milaan, 1781 en 1783 in Londen en werd daar als zangeres enthousiast gevierd even als in München, waar zij in 1785 zong. Verdere optredens verzorgde zij aan de opera's in Venetië en Napels. 1788 en 1789 was zij opnieuw in München en in 1790 in Berlijn, waar zij omtrent voor de seizoen 1791 engageert werd.

Befaamd was het echtpaar om zijn opeen afgestemde instrumentale en vocale artistiek, die wederom talrijke componisten inspireerden aria's met obligate hobo te schrijven, zoals Ignaz Holzbauer in Günther von Schwarzburg (1777), Antonio Salieri in L’Europa riconosciuta (1778) of Georg Joseph Vogler in Castore e Polluce (1787). De musicoloog Charles Burney schreef over de vakbekwaamheid in de optredens van het echtpaar:

Franziska Danzi and the excellent oboist Lebrun usually travel together, and it seems as though she has listened to nothing other than his instrument, for when they perform together in thirds and sixths one cannot hear which is the upper or the lower voice!

Franziska Lebrun behoorde tot de weinig erkende vrouwelijke componisten in een tijd, in die vrouwen eerder een muzikale carrière als zangeres of instrumentaalvirtuoze voorbehouden was. Van haar werken hebben zich maar slechts enkele bewaart, waaronder sonates voor viool en piano.

Naar het overleden van haar echtgenote in december 1790 moest zij de onderhoud van twee dochters bestrijden. Om de financiële inkomsten van de familie af te zekeren kreeg zij van keurvorst Karl Theodoor van Beieren haar salaris als primadonna van de hofopera verder uitgekeerd. Haar engagement aan de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn kon zij niet met afsluiten, omdat zij in mei 1791 overleed.

Composities (Uittreksel)[bewerken]

Kamermuziek[bewerken]

  • 1780 Zes sonates, voor viool en klavecimbel (of piano), op. 1
  • 1782 Zes sonates, voor viool en klavecimbel (of piano), op. 2

Bibliografie[bewerken]

  • Joseph Kürschner: Franziska Lebrun in: Allgemeine Deutsche Biographie (ADB). Band 18, Duncker & Humblot, Leipzig 1883, S. 102 f.
  • Robert Lamar Weaver, Norma Wright Weaver: A chronology of music in the Florentine theater 1751-1800. Operas prologues, farces, intermezzos, concerts and plays with incidental music, Warren, Michigan: Harmonie Park Press, 1993, 996 p.
  • Ludwig Finscher: Die Mannheimer Hofkapelle im Zeitalter Carl Theodors, Mannheim: J & J Verlag, 1992., 104 p.
  • Adel Heinrich: Organ and harpsichord music by women composers, New York: Greenwood Press, 1991. ISBN 0-313-26802-9
  • Bettina Brand, Martina Helmig, Barbara Kaiser, Birgit Salomon, Adje Westerkamp: Komponistinnen in Berlin, Berlin: 1987.
  • Patricia Adkins Chiti: Donne in musica, Rome: Bulzoni Editore, 1982, 200 p.
  • Aaron I. Cohen: International encyclopedia of women composers : classical and serious music, New York: R. R. Bowker, 1981, 597 p.
  • Roderich Fuhrmann: Mannheimer Klavier-Kammermusik, Inauguraldissertation zur Erlangung der Doktorwürde; der Hohen Philosophischen Fakultät; der Philipps-Universität zu Marburg, Marburg: Roderich Fuhrmann, 1963. 197 p.