Frederic Adolph Hoefer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Frederic Adolph Hoefer (Sittard, 14 april 1850 - Zeist, 7 oktober 1938) was een Nederlands militair en archivaris. Hij werd aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) opgeleid.

Hoefer was de zoon van Peter Jacob Gustaf Hoefer, predikant, en Frederika Catherina Jacobina Hief. Hij trouwde op 28 mei 1874 met Clara Gewin. Uit dit huwelijk werden één zoon en één dochter geboren. Na het overlijden van zijn vrouw Carla op 29 augustus 1889 trouwde Hoefer op 18 juni 1890 met Cornelia Martina baronesse Van Heemstra, hofdame honoraire van koningin Emma. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Inhoud

[bewerk] Vroege carrière

Hoefer werd in 1871 benoemd tot tweede luitenant der artillerie en geplaatst bij het tweede Regiment Vestingartillerie te Naarden. Vandaar uit doorliep hij van 1875 tot 1878 de Krijgsschool voor Officieren te Utrecht, waarna hij in de rang van eerste luitenant werd aangesteld bij het eerste Regiment Veldartillerie te Arnhem. Een ongelukkige val van zijn paard betekende echter het voorlopige einde van zijn loopbaan als officier, en op 3 april 1880 werd hem eervol ontslag verleend wegens lichaamsgebreken.

[bewerk] Historische interesse

Hoezeer de belangstelling van Hoefer toen reeds historisch gericht was blijkt uit zijn in 1887 te Leiden verschenen "Geschiedenis der openbare tijdaanwijzing". In zijn Utrechtse jaren was hij door bemiddeling van Nicolaas Beets in aanraking gekomen met de academische wereld van die dagen. Daar kwam hij ook in contact met de Utrechtse archivaris S. Muller Fz., die hem kennelijk tot het verrichten van archiefonderzoek heeft aangezet. In Hattem, waar hij door zijn tweede huwelijk belandde, liet hij zich, getroffen door de verwaarloosde toestand van het plaatselijk archief, in 1895 tot onbezoldigd gemeentearchivaris benoemen. Deze functie heeft hij tot 1931 vervuld. Naar de maatstaven van de moderne archivistiek gemeten is het ordenend werk van Hoefer niet in alle opzichten geslaagd te noemen. Te veel liet hij zich bij het ordenen van de bescheiden door eigen voorkeur en belangstelling leiden. Wel heeft hij zich met succes ingezet voor een betere behuizing van het archiefbestand in de door zijn toedoen gerestaureerde Dijkpoort. Hoefers verdienste voor de geschiedenis van Hattem ligt evenwel voornamelijk in de vele publicaties die hij daaraan wijdde, zoals zijn omvangrijke Aanteekeningen betreffende de kerk van Hattem, verschenen in 1901 als Werken uitg. door Gelre, vereeniging tot beoefening van de Geldersche geschiedenis etc., waarvan hij een der oprichters was.

Hoefer begaf zich steeds meer op het terrein van de monumentenzorg. Nadat hij in 1899 lid was geworden van de Koninklijke Nederlandsche Oudheidkundige Bond, volgde in 1903 zijn benoeming in de Rijkscommissie voor de monumentenbeschrijving (sinds 1918 Afdeling A van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg), hetgeen hij tot 1929 gebleven is. In die hoedanigheid heeft hij zich in het bijzonder met de beschrijving van de Bommelerwaard beziggehouden. Tot de monumenten die mede door zijn toedoen behouden bleven, behoren het Gothische Huis te Kampen, het stadhuis van Hasselt, het Reventer te Zwolle, het Romaanse kerkje te Wilsum.

[bewerk] Legermuseum

Zijn bemoeienis met het kasteel Doorwerth leidde tot de stichting van het Koninklijk Leger- en Wapenmuseum (later verplaatst naar Delft), een museum waaraan Hoefers naam blijvend verbonden is. In 1910 slaagde hij er namelijk in dit met de ondergang bedreigde kasteel uit eigen middelen aan te kopen en te restaureren.

Ofschoon het Legermuseum hem waarschijnlijk het meest na aan het hart lag - hij heeft de leiding ervan tot het eind van zijn leven zelf gevoerd - is zijn bijdrage aan de oprichting en ontwikkeling van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem niet minder belangrijk geweest. Geïnspireerd door bezoeken aan de grote openluchtmusea in de Scandinavische landen, verspreidde Hoefer in april 1912 een pamflet getiteld "Een Nederlandsch Openluchtmuseum", een geestdriftig en bloemrijk pleidooi voor wat hij het 'opengeslagen boek en reliëf' zou noemen. Aan de hand van overgebrachte en herbouwde woningen en bedrijfsgebouwen, geheel ingericht met bijpassende meubels en gebruiksvoorwerpen, zou de geschiedenis van de materiële cultuur en de gebruiken van de plattelandsbevolking, in al hun verscheidenheid worden getoond. Nog in dezelfde maand werd de Vereeniging voor Volkskunde 'Het Nederlandsch Openluchtmuseum' opgericht. In 1918 opende het museum zijn deuren.

Het Nederlands Leger- en Wapenmuseum 'Generaal Hoefer' bewaart zijn losse aantekeningen over uiteenlopende onderwerpen.

[bewerk] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

Bovenstaand artikel of een eerdere versie daarvan is met toestemming overgenomen uit het Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985), laatst gewijzigd op 05-09-2003

 
Persoonlijke instellingen