Frederik Hendrik van Oranje
| Frederik Hendrik | ||
| 1584 - 1647 | ||
| Prins van Oranje | ||
| Periode | 1625-1647 | |
| Voorganger | Maurits | |
| Opvolger | Willem II | |
| Stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel en vanaf 1640 Groningen | ||
| Periode | 1625-1647 | |
| Voorganger | Maurits | |
| Opvolger | Willem II | |
| Vader | Willem van Oranje | |
| Moeder | Louise de Coligny | |
| Dynastie | Oranje-Nassau | |
Frederik Hendrik (Delft, 29 januari 1584 – Den Haag, 14 maart 1647), prins van Oranje, graaf van Nassau, werd geboren als enige zoon uit het huwelijk van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij volgde in 1625 zijn halfbroer Maurits op als stadhouder. Als opperbevelhebber (kapitein-generaal) van het leger gaf hij, evenals Maurits, voorkeur aan het belegeren van steden boven veldslagen, aangezien de Spaanse infanterie nog altijd zeer geducht was. In de jaren '30 van de 17e eeuw was die in de Zuidelijke Nederlanden zelfs sterker dan ooit. Vanwege zijn vele succesvolle belegeringen kreeg hij de bijnaam 'stedendwinger'.
Inhoud |
[bewerken] Vroege jaren
Frederik Hendrik werd geboren op 29 januari 1584 in Delft, waar hij op 12 juni in de Nieuwe Kerk aldaar werd gedoopt. Zijn vader, Willem van Oranje was weduwnaar van zijn eerste en derde vrouw en gescheiden van zijn tweede vrouw. Zijn vierde en laatste vrouw Louise de Coligny was de moeder van Frederik Hendrik. Zij was een Franse hugenoot, weduwe van Charles de Téligny en een dochter van de Franse admiraal Coligny, die beiden tijdens de Bartholomeusnacht werden vermoord. Willem en Louise trouwden op 12 april 1583 in Antwerpen en kort daarna vertrokken zij naar Middelburg, omdat Antwerpen door naderende Spaanse troepen onveilig werd. Later gingen zij naar Delft, waar ze neerstreken in het Prinsenhof, een voormalig klooster. Daar beviel Louise van Frederik Hendrik. Bij zijn doop kreeg de prins de naam Frederik Hendrik, vernoemd naar zijn peetooms: Frederik II, de koning van Denemarken en Hendrik van Navarra.
Sinds halverwege de zestiende eeuw was er in de Nederlanden een Opstand gaande tegen de machthebber, de Habsburger en Spaanse koning Filips II. De Reformatie dat begonnen was in Duitsland had ook toegeslagen in de Nederlanden en veel mensen keerden de Moederkerk de rug toe en kozen voor het protestantisme. Omdat de Filips II zichzelf zag als de verdediger van het katholieke geloof werden protestanten vervolgd en uitgesloten. Willem van Oranje, voormalig adviseur van de koning, was een van de leiders van de Opstand en daarom vogelvrij verklaard door Filips II. De inzet van de strijd was godsdienstvrijheid voor protestanten; na het tekenen van de Unie van Utrecht werd dit onafhankelijkheid.
Toen Frederik Hendrik bijna een half jaar oud was, werd Willem van Oranje in het Prinsenhof vermoord door de fanatieke katholiek Balthasar Gerards. Na zijn dood vertrok Louise met de kinderen voor een korte tijd naar Leiden. Daar kon Louise niet aarden en ze besloot naar Middelburg te gaan. Nog liever was ze naar Frankrijk gegaan, maar dat was geen optie vanwege de godsdienstoorlog die er woedde. Aan Frederik Hendrik liet Willem van Oranje de stad Geertruidenberg na.
In Middelburg bracht Frederik Hendrik zijn jonge jaren door en leerde er waarschijnlijk rekenen, schrijven en lezen. Enkele jaren verbleven zij daar om vervolgens in 1591 naar Den Haag te trekken. Daar woonde het gezin in paleis Noordeinde. Als voorbereiding op zijn studie werd Frederik Hendrik in Den Haag onderwezen door Louises eigen predikant, Johannes Uytenbogaert. Hij leerde Frederik Hendrik over het Christelijke geloof en tevens Latijn. Twee en een half jaar later ging Frederik Hendrik naar Leiden om te studeren. Daar verbleef hij op het Rapenburg en kreeg onder andere les in wiskunde.
[bewerken] Begin militaire carrière
[bewerken] Eerste wapenfeiten en lid Raad van State
Na zijn studie in Leiden vergezelde hij in 1597 zijn halfbroer bij de veldtocht van dat jaar. In november 1597 vertrok Frederik Hendrik naar Frankrijk met zijn moeder om het huwelijk van zijn zus Charlotte Brabantine te Châtellerault bij te wonen. In Frankrijk bleef hij uiteindelijk meer dan een jaar. Hij bezocht er zijn peetoom, de Franse koning, Hendrik van Navarra en aan het begin van de zomer van 1598 volgde hij er ook een opleiding paardrijden. Teruggekomen uit Parijs, kreeg Frederik Hendrik de leiding over een compagnie kurassiers.[1] Om bekender te raken met staatszaken is in februari 1600 door de Staten-Generaal voorgesteld Frederik Hendrik op te nemen in de Raad van State. Dit ging door en de installatie als lid was in maart. In deze raad zat hij met de stadhouders Maurits en Willem Lodewijk en overige leden. De raad behandelde allerlei zaken maar voornamelijk militaire zaken; onderwerpen die Frederik Hendrik erg interesseerden.
Als militair was zijn eerste echte gevecht de slag bij Nieuwpoort in 1600 dat door de Staatsen maar net gewonnen werd. Het jaar erop bij het beleg van Rijnberk raakte de prins door een musketschot gewond aan zijn schouder.
Frederik Hendrik werd in 1602, tijdens het beleg van Grave als achttienjarige, benoemd tot legeraanvoerder over de troepen van de gewonde sir Francis Vere. Als aanvoerder gedurende het beleg wist Frederik Hendrik met zijn troepen een halve maan te veroveren. De titel generaal der ruiterij kreeg Frederik Hendrik in 1603 van de Staten-Generaal, waarmee hij derde kwam te staan op de ranglijst na zijn halfbroer Maurits en zijn neef Willem Lodewijk. Als generaal van de ruiterij hield hij geregeld strooptochten in vijandelijk gebied, zonder het daarbij ontzien van de burgerbevolking. Dit was in de zeventiende eeuw gangbaar en gebeurde vaak als reactie op strooptochten door de vijand. In 1606 slaagde hij erin het vestingstadje Bredevoort, dat belegerd werd door Du Terrail, te ontzetten.
[bewerken] Geloofsstrijd in de Republiek
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging in 1609 een wapenstilstand aan, het Twaalfjarig Bestand, met Spanje, omdat men oorlogsmoe was en de oorlog veel geld kostte. Een wapenstilstand, laat staan een vrede werd echter door een groot deel van de bevolking niet gesteund. Men was bang dat hiermee Spanje op kracht kon komen, om later alsnog de Republiek en het calvinisme te vernietigen. Gedurende het Twaalfjarig Bestand ontstond er in de publieke kerk een conflict tussen de rekkelijken, bekend als de remonstranten en de orthodoxen, bekend als de contraremonstranten. Met dit conflict kwam ook de vraag wie er nu het zeggenschap had over de publieke kerk: de provincie of de Staten-Generaal. Johan van Oldenbarnevelt kwam in deze periode lijnrecht tegenover Maurits te staan. Frederik Hendrik probeerde zich niet achter een kamp te scharen.[2] In de stad Utrecht mondde het conflict in 1610 uit in de afzetting van het stadsbestuur door opstandige orthodoxe calvinisten. Oldenbarnevelt kreeg het voor elkaar dat de Staten-Generaal dit veroordeelden en besloten werd dat er militair ingegrepen moest worden. Daar Maurits de machtsovername goedkeurde kon hij deze expeditie niet leiden. Oldenbarnevelt besloot dat Frederik Hendrik het moest doen. Zodoende trok Frederik Hendrik met het Staatse leger naar Utrecht, waar hij zonder veel moeite de stad in handen kreeg en het bestuur kon worden vervangen.
Vijf jaar later vertrok hij met de Staatse ruiterij richting de Hanzestad Brunswijk. Deze stad werd belegerd door haar hertog vanwege een conflict. Deze hertog was de neef van de koning van Denemarken en zijn vrouw, die tevens de zus was van de Engelse koning, Jacobus I. Door die buitenlandse connecties durfden het congres van Hanzesteden geen actie te ondernemen tegen de hertog. De komst van de Staatse ruiterij heeft wel indruk gemaakt. Toen het leger, dwars door neutraal gebied, was aangekomen bij de Wezer werd het beleg door de hertog opgeheven.
[bewerken] Huwelijk met Amalia van Solms
Vanaf 1608 - 1609 ging Louise actief op zoek naar een geschikte vrouw voor Frederik Hendrik. Tegen die tijd was het duidelijk dat zijn oudere broer Filips Willem, hoewel net getrouwd, geen kinderen meer zou gaan krijgen. Ook van Maurits' kant waren wettelijke erfgenamen niet te verwachten. Filips Willem had Maurits als enige erfgenaam benoemd en daardoor zouden al zijn bezittingen geërfd van hun vader na de dood van Filips Willem toekomen aan Maurits. Na Maurits' dood zouden de bezittingen toekomen aan Frederik Hendrik. Om te zorgen dat de bezittingen in de familie bleven was het dus van belang dat Frederik Hendrik zou gaan trouwen en de dynastie zou gaan voortzetten. Bijna was Frederik Hendrik getrouwd met de dochter van de landgraaf van Hessen-Kassel, Elisabeth, maar dat ging op het laatste moment niet door omdat hij de huwelijkse voorwaarden ongunstig vond. Ondanks de druk die op hem werd uitgeoefend bleef hij bij zijn standpunt.
De laatste grote reis die Frederik Hendrik maakte was in 1619, kort na de dood van Van Oldenbarnevelt, naar het prinsdom Orange. Dit land was in bezit gekomen van Maurits na de dood van Filips Willen in 1618 en Maurits wilde het bestuur vervangen door personen van zijn signatuur. Op zijn reis bezocht hij tevens de Franse koning, waarmee de relatie bekoeld was geraakt door de executie van Van Oldenbarnevelt.
Met de dood van Van Oldenbarnevelt in de Republiek en van Filips III in Spanje waren de voorstanders van verlenging van de wapenstilstand van het toneel. Zodoende werd de oorlog weer aangevangen in 1621. In 1624 sloeg de Spaanse commandant Spinola het beleg rond Breda. Maurits heeft nog getracht het beleg te breken, maar slaagde er niet in. Hij was ziek en toen zijn toestand verslechterde vertrok hij naar Den Haag. De prins benoemde Frederik Hendrik tot waarnemend opperbevelhebber. Vanaf zijn ziekbed ontbood hij in maart 1625 zijn jongere broer om afscheid te nemen. Frederik Hendrik, inmiddels in zijn 41e levensjaar was nog steeds niet getrouwd. Omdat zonder te trouwen de dynastie niet voorgezet kon worden, werd hij door Maurits onder druk gezet alsnog te trouwen. In Den Haag werd haastig gezocht naar een geschikte bruid en gevonden in de Duitse Amalia van Solms, die als hofdame met de 'winterkoning' Frederik V van de Palts in 1620 mee naar Den Haag was gevlucht. Zij trouwden op 4 april 1625, drie weken voor de dood van Maurits. Vanaf het moment dat Maurits overleed had het leger officieel geen opperbevelhebber. Op dezelfde dag werd door de Staten-Generaal een resolutie aangenomen met daarin de benoeming van Frederik Hendrik tot kapitein- en admiraal-generaal van het Staatse leger en de vloot.
[bewerken] Stadhouder
Toen Maurits van Oranje op 23 april 1625 overleed, hadden de provincies Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel geen stadhouder meer. Het benoemen van een stadhouder was een provinciale aangelegenheid; iedere provincie mocht bepalen wie hun stadhouder werd. In Holland waren de Staten van Holland het al snel eens dat Frederik Hendrik de nieuwe stadhouder moest worden. Zeeland dat een verbintenis had met Holland kon niet anders dan meegaan in het besluit dat in Den Haag was genomen. Op 2 juni werd hij benoemd als stadhouder van deze provincies. Hij werd ook als stadhouder benoemd door: Utrecht op 9 juli, Overijssel op 6 juli en Gelderland op 25 juli. De provincie Stad en Lande benoemde de Friese stadhouder Ernst Casimir tot stadhouder.
Benoemd als opperbevelhebber heeft Frederik Hendrik nog getracht de belangrijke vesting en familie-eigendom Breda te ontzetten, maar slaagde daar niet in. Zo begon hij als opperbevelhebber meteen met een verlies. In 1624 had de Republiek een verdrag gesloten met Frankrijk en in 1625 met Engeland. Frankrijk zou jaarlijks financieel bijdragen en Engeland zou manschappen leveren. Dit bracht voor de Republiek de mogelijkheid gebieden op Spanje te heroveren. In 1626 werd echter slechts Oldenzaal heroverd, omdat de benodigde financiën voor een offensieve veldtocht zo laat opgebracht werden, dat het niet meer mogelijk was. Een poging dat jaar om Hulst bij verrassing in te nemen mislukte. Groenlo, dat met Oldenzaal door Spinola voorafgaand aan het Twaalfjarig Bestand werd veroverd, werd in 1627 door Frederik Hendrik met Ernst Casimir heroverd.
In 1628 wist de kaper Piet Hein bij de slag in de baai van Matanzas een Spaanse Zilvervloot te veroveren, waarmee hij een enorme schat voor de Republiek verwierf. Frederik Hendrik kon die goed gebruiken in zijn strijd. In 1629 belegerde hij 's-Hertogenbosch, en met succes: de stadhouder wist de 'moerasdraak' te veroveren.
Door zijn militaire genie, in het bijzonder zijn deskundigheid in belegeringen, slaagde hij erin het grondgebied van de Republiek verder uit te breiden naar het zuiden; een inval in Vlaanderen moest in 1631 afgeblazen worden, maar tijdens de veldtocht langs de Maas in 1632 viel Opper-Gelre in zijn handen door de inname van de steden Venlo en Roermond (bij Roermond sneuvelde Ernst Casimir echter). Vervolgens werd opgetrokken naar Maastricht. Een bestorming van de stad mislukte, maar na een beleg van zes weken maakte Frederik Hendrik zich in september 1632 toch meester van deze belangrijke stad.
Kort na deze overwinningen zou Frederik Hendrik overwogen hebben om Brussel aan te vallen, maar tot vaste plannen is het nooit gekomen en hij bleef tot november in Maastricht.
In 1635 raakten Frankrijk en Spanje weer met elkaar in oorlog, deze maal in het kader van de Dertigjarige Oorlog. Frederik Hendrik zag wel heil in een bondgenootschap met Frankrijk, en op 8 februari 1635 ondertekende hij met de Franse kardinaal de Richelieu een verdrag in Parijs, waarbij werd afgesproken om na de overwinning op de Spanjaarden de Zuidelijke Nederlanden onderling te verdelen. De Republiek zou Brabant en Mechelen krijgen en Frankrijk de rest. Dat hield in dat Frankrijk het grootste deel van Franstalig Vlaanderen zou krijgen; alleen het noorden van Vlaanderen, Antwerpen en (Staats-Vlaanderen) zou bij de Republiek komen. Frederik Hendrik kon dit verdrag echter niet verkopen aan zijn achterban; de calvinisten konden niet verkroppen dat in de door Frankrijk geannexeerde gebieden de protestanten hooguit binnenshuis hun godsdienst mochten belijden; de stad Amsterdam zag de grote concurrent Antwerpen liever in handen van een vijandelijke mogendheid, zodat die ook met militaire middelen bestreden kon worden; de 'Staten-partij' van Adriaan Pauw zag ook geopolitieke risico's: die zag de Zuidelijke Nederlanden liever als buffer in Spaanse handen, dan dat de Republiek aan het machtige Frankrijk zou komen te grenzen.
Frederik Hendrik zette toen maar zonder de Fransen zijn campagne voort. In 1636 veroverde hij in het oosten het strategisch belangrijke versterkte eiland in de Rijn, Schenkenschanz. In 1637 won hij het Vierde beleg van Breda, dat sindsdien in Staatse handen zou blijven. Hij verloor Venlo en Roermond echter weer aan de Spanjaarden.
Na Breda richtte hij zich op wat hij al jaren wenste: de herovering van de stad Antwerpen op de Spanjaarden, die in 1585 voor de Opstand verloren gegaan was. Maar toen zijn neef Willem van Nassau in zijn opdracht in 1638 een poging waagde, werd hij grondig verslagen in de Slag bij Kallo.
Deze tegenslag voor de Republiek probeerde Spanje onmiddellijk uit te buiten door een tweede 'Armada' van zo'n 77 schepen te zenden. Door Maarten Tromp werd deze vloot in 1639 echter vernietigd in de Slag bij Duins, waarmee echter niet was voorkomen dat al een redelijk aantal troepen in Vlaanderen aan land was gezet. Dit markeerde een voorlopig hoogtepunt in de Nederlandse maritieme macht, waarna het accent weer verschoof naar de oorlog te land, waar de Spanjaarden hun krachten moesten verdelen tussen de strijd tegen de Republiek en in de Dertigjarige Oorlog vooral tegen Frankrijk. Langzaam terugkrabbelend concentreerde Frederik Hendrik zich op Zeeuws-Vlaanderen, waar hij Sas van Gent en Hulst veroverde. De blokkade van Antwerpen werd hierdoor versterkt.
In 1640 werd Frederik Hendrik na het overlijden van Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz, die in 1632 zijn vader Ernst Casimir was opgevolgd, ook benoemd tot stadhouder van Groningen en Drenthe.
In 1646 deed hij nog een laatste poging om Antwerpen te herwinnen; hij sloeg het beleg voor de stad, maar slaagde er niet in haar te onderwerpen. Tijdens de laatste jaren van de Tachtigjarige Oorlog genoot Cornelis de Graeff zijn bijzonder vertrouwen bij de inmiddels aangevangen vredesonderhandelingen met Spanje.
Frederik Hendrik overleed op 63-jarige leeftijd in 1647, een jaar voordat de Vrede van Münster getekend werd; de onderhandelingen voor dat verdrag waren al vertraagd door zijn verslechterende gezondheid. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de Grafkelder van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk in Delft.
[bewerken] Huwelijk en kinderen
Toen Maurits in 1625 op sterven lag, was Frederik Hendrik nog altijd ongehuwd en stond evenals zijn halfbroer bekend als rokkenjager. Frederik Hendrik had bij de burgemeestersdochter Margaretha Catharina Bruyns een bastaardzoon: Frederik van Nassau. Deze werd de stamvader van de tak Nassau-Zuylestein. Omdat Maurits altijd ongehuwd was gebleven, zette hij Frederik Hendrik ter wille van de voortzetting van de dynastie onder druk om te trouwen. Zou hij niet trouwen, dan zou hij niet de erfgenaam worden van Maurits. De Duitse Amalia van Solms, die als hofdame met de 'winterkoning' Frederik V van de Palts in 1620 mee naar Den Haag was gevlucht, kwam in beeld. Frederik Hendrik en Amalia trouwden op 4 april 1625. Anders dan Maurits ontwikkelden Frederik Hendrik en Amalia een hofhouding met koninklijke allure, waarbij Den Haag steeds meer het karakter van hofstad kreeg en de heerschappij van de Oranjes de pretenties van een monarchale dynastie aannam. De oudste zoon van Frederik Hendrik en Amalia, Willem II, kon zelfs met een Engelse prinses trouwen, Maria Stuart. Amalia legde een juwelenverzameling aan en Frederik Hendrik liet tal van paleizen en verblijven bouwen of verbouwen: in Den Haag het Paleis Noordeinde en het Huis ten Bosch, in Rijswijk het Huis ter Nieuburch (dat niet meer bestaat), in Honselersdijk (in het Westland) een buitenverblijf en in de Betuwe het kasteel van Buren. Ook schilderijen, waarvan er in de Republiek toen zoveel werden gemaakt, werden verzameld.
Frederik Hendrik en Amalia kregen 9 kinderen, waarvan 4 jong stierven:
- Willem II van Oranje (27 mei 1626 — 6 november 1650) (stadhouder), gehuwd met Maria Stuart
- Louise Henriëtte van Nassau (7 december 1627 — 18 juni 1667), gehuwd met keurvorst Frederik Willem van Brandenburg
- Henriëtte Amalia van Nassau (26 oktober 1628 — december 1628)
- Elisabeth van Nassau (4 augustus 1630 — 4 augustus 1630)
- Isabella Charlotte van Nassau (28 april 1632 — april 1642)
- Albertine Agnes van Nassau (9 april 1634 — 24 mei 1696), trouwde met Willem Frederik van Nassau-Dietz
- Henriëtte Catharina van Nassau (10 februari 1637 — 3 november 1708), trouwde met Johan George II van Anhalt-Dessau
- Hendrik Lodewijk van Nassau (30 november 1639 — 29 december 1639)
- Maria van Nassau (5 september 1642 — 20 maart 1688), trouwde met Maurits van Simmern
[bewerken] Paleizen
Verschillende paleizen in Nederland zijn in Frederiks opdracht gebouwd en verbouwd; onder andere liet hij Huis ten Bosch, Huis ter Nieuburch en Huis Honselaarsdijk bouwen, ook verbouwde hij paleis Noordeinde. Frederik Hendrik was, dankzij aanmoediging van zijn secretaris Constantijn Huygens, een kunstverzamelaar. In 1634 bestond de stadhouderlijke kunstcollectie uit zo'n honderd schilderijen, waaronder een Rembrandt en een Rubens. In Huis ten Bosch is de Oranjezaal aan Frederik Hendrik opgedragen. Een wandschildering, getiteld Frederik Hendrik de Triomfator, laat de stadhouder zien als overwinnaar van zijn vijanden.
Frederik Hendrik en Amalia streefden ernaar om te worden opgenomen in de familie van Europese vorstenhuizen. Zij hadden het tij mee, want gedurende het bewind van de prins steeg de Nederlandse welvaart explosief. Het prinselijk paar wist voor zijn kinderen voorname huwelijken te sluiten. De erfprins huwde Maria Stuart, dochter van koning Karel I van Engeland, en Louise Henriëtte werd erfprinses van Brandenburg. Albertine Agnes huwde een Friese Nassau. Via haar stamt het huis Oranje-Nassau af van Willem van Oranje.
Na zijn dood werd zijn zoon Willem II benoemd tot stadhouder.
VoetnotenBronnen
Externe links |
| Zie de categorie Frederick Henry, Prince of Orange van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |