Frederik II van Legnica
| Frederik II van Legnica | ||
| 1480 -1547 | ||
| Hertog van Legnica | ||
| Periode | 1488-1547 | |
| Voorganger | Frederik I | |
| Opvolger | Frederik III | |
| Hertog van Brieg | ||
| Periode | 1503-1505 | |
| Voorganger | Ludmila van Podiebrad | |
| Opvolger | George I | |
| Hertog van Brieg | ||
| Periode | 1521-1547 | |
| Voorganger | George I | |
| Opvolger | George II van Legnica | |
| Vader | Frederik I van Legnica | |
| Moeder | Ludmila van Podiebrad | |
Frederik II van Legnica of Fryderyk II Legnicki, bijg. de Grote, (12 februari 1480 - 17 september 1547) was hertog van Legnica van 1488 tot zijn overlijden.
Hij was de tweede zoon van Frederik I, hertog van Chojnów-Oława-Legnica-Brzeg-Lubin, en van Ludmila van Podiebrad, dochter van George van Podiebrad, koning van Bohemen.
Na de dood van zijn vader in 1488, volgden Jan II en zijn jongere broers Frederik I en George I hem op in Legnica, Chojnów en Lubin. Aangezien zij allen nog minderjarig waren werd het regentschap over de hertogdommen waargenomen door hun moeder, de hertogin-weduwe Ludmila, die van haar overleden echtgenoot Brzeg en Oława als weduwgift (Oprawa wdowia) had gekregen. De jonge hertogen verbleven een tijd in Praag aan het hof van koning Wladislaus II van Bohemen.
Door de vroege dood van zijn oudste broer, Jan II in 1495 kwam Frederik II het hoofd van het huis Legnica. Hij bleef evenwel onder het regentschap van zijn moeder tot 1498. Toen ook George I in 1505 meerderjarig werd, kwamen beide broers overeen hun bezittingen te delen. Frederik II hield Legnica en de kleine hertogdommen, en George I kreeg Brzeg en Lubin.
In 1507 ondernam Frederik II een pelgrimstocht naar het Heilige Land en in de periode 1516-1526 was hij gouverneur van Neder-Silezië.
Na de kinderloze dood van George I in 1521, erfde Frederik Brzeg (zijn schoonzuster kreeg Lubin als "oprawa wdowią"). Hierdoor en door de aankoop van Wołów in 1523 stegen zijn financiële mogelijkheden. Hetzelfde jaar kwam hij tussen in het conflict tussen de grootmeester van de Duitse Orde Albrecht van Brandenburg en koning Sigismund I van Polen over het bezit van Brandenburg, dat vervolgens in 1525 een Pruisisch hertogdom werd met Albert als hertog, maar onder Poolse soevereiniteit.
Vanaf 1523 was Frederik II een overtuigd aanhanger van de reformatie en richtte in 1526 de eerst protestantse universiteit in Legnica op, die door meningsverschillen tussen Luther en Caspar Schwenckfeld pas in 1530 zijn deuren opende. Niettegenstaande hij zelf overging tot het protestantisme, liet hij zijn onderdanen vrij in hun godsdienstkeuze. Tijdens zijn regering ijverde Frederik II voor orde en reinheid in de steden, organiseerde openbare verlichting en plaveide straten. Tegen 1521 werden daarnaast 15 kerken en kapellen afgebroken om plaats te maken voor versterkingen en stadsmuren. Van 1540 tot 1544 had hij het hertogdom Głogów in onderpand. In 1542 verpandden zijn neven Joachim, Hendrik II, Jan en George van Podiebrad hem hun hertogdom Ziębice (Münsterberg), dat na het overlijden van Frederik II ingenomen werd door Ferdinand I van Oostenrijk.
In 1515 was Frederik II gehuwd met Elisabeth (13 november 1482 - 16 februari 1517), dochter van koning Casimir IV van Polen. Zij hadden één dochter:
- Hedwig (2 februari 1517).
In 1519 hertrouwde Frederik II met Sophia (Ansbach, 10 maart 1485 - Legnica, 14 mei 1537), dochter van Frederik I van Brandenburg-Ansbach en nicht van zijn eerste echtgenote. Zij hadden drie kinderen:
- Frederik III (22 februari 1520 - Legnica, 15 december 1570).
- George II van Legnica (Legnica, 18 juli 1523 - d. Schloss Brieg, 7 mei 1586).
- Sophie (1526 - Berlijn, 6 februari 1546), in 1545 gehuwd met Johan George, de latere (1571) keurvorst van Brandenburg.