Frederik Karel August van Württemberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Frederik Karel August van Württemberg (Comburg, 21 februari 1808 - Stuttgart, 9 mei 1870) was het tweede kind en de eerste zoon van Paul van Württemberg en van Catharine Charlotte van Saksen-Hildburghausen.

Frederik volgde de obligate militaire loopbaan. Op 15-jarige leeftijd werd hij tot ritmeester 2e klas benoemd. Vanaf zijn 21e jaar, toen hij tot ritmeester 1e klas werd benoemd, volgde de benoemingen op grond van zijn afkomst in het bijbehorende tempo. In 1830 majoor der ruiterij, in 1832 luitenant-kolonel der infanterie, in 1833 kolonel der infanterie, een jaar later generaal-majoor der ruiterij en in 1841 ten slotte luitenant-generaal der ruiterij. Daarmee was voorlopig het hoogtepunt bereikt. In 1865 bevorderde zijn zwager koning Karel hem tot generaal der cavalerie en benoemde hem tot commandeur van het Württembergse legerkorps. Tijdens de oorlog tegen Pruisen van 1866 werd hem het commando over het Württembergse legerkorps (de VIII Legerkorps van de Duitse Bond) echter niet toevertrouwd. Hij was tijdens de oorlog slechts gedelegeerde bij het Oostenrijkse hoofdkwartier.

Op grond van zijn afstamming was Frederik lid van de Eerste Kamer en hij nam sinds 1833 regelmatig deel aan de zittingen. Sinds 1865 was hij lid van de Geheime Raad.

Op 20 november 1845 trouwde hij tegen de wil van zijn vader zijn nichtje Catharina, dochter van koning Willem I van Württemberg en van Pauline van Württemberg. Hun enig kind, Willem (1848-1921), zou later de laatste koning van Württemberg worden.

Tot zijn woningen behoorden zijn paleis in Stuttgart en het jachtslot Kataharinenhof bij Oppenweiler. De jacht was zijn grote hartstocht. Bij een jachtongeval veroorzaakte een glassplinter een wond aan zijn gezicht. Deze wond groeide later uit tot een gezwel, waardoor hij blind werd en waaraan hij tenslotte zou overlijden.

Bron: Sönke Lorenz, Das Haus Württemberg.