Freie Demokratische Partei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Freie Demokratische Partei
Freie Demokratische Partei, Deutschland (logo - 2005).svg
Functiehouders
Partijleider Christian Lindner
Mandaten
Zetels in de Bondsdag
Zetels in de regionale parlementen
Zetels in het Europees Parlement
Algemene gegevens
Opgericht 11 december 1948
Actief in Duitsland
Hoofdkantoor Thomas-Dehler-Haus
Reinhardtstraße 14
10117 Berlijn
Richting Centrumrechts
Ideologie Klassiek-liberalisme
Motto Die Liberalen
Kleuren Blauw en geel
Internationale organisatie Liberale Internationale
Europese fractie ALDE
Website www.fdp.de
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Duitsland

De Freie Demokratische Partei (FDP, Vrije Democratische Partij) is een Duitse liberale politieke partij. Zij verenigt linkse en rechtse liberalen, nadat in de Weimarrepubliek nog twee liberale partijen hadden bestaan. In de jaren 1949-1956, 1961-1966 en 1969-1998 (met een korte onderbreking) was de partij vertegenwoordigd in de Duitse bondsregering. Dit was opnieuw het geval van 2009 tot 2013 in het Kabinet-Merkel II. In september 2013 bleef de partij onder de kiesdrempel van 5 procent en haalde daardoor geen enkele zetel in de Bondsdag.

De partij is te vergelijken met de Open Vld uit Vlaanderen en (gedeeltelijk) de VVD uit Nederland.

Geschiedenis 1945-1969[bewerken]

FDP-Bondspresident Theodor Heuss in 1953 (links) met CDU-Bondskanselier Konrad Adenauer

In 1945, na de Duitse capitulatie, werden er in alle bezettingszones van Duitsland liberale partijen opgericht. Deze hadden allemaal verschillende namen. Op 11 december 1948 werden de verschillende partijen - met uitzondering van de Oost-Duitse LDPD - samengevoegd tot de Freie Demokratische Partei (FDP). Theodor Heuss, later de eerste bondspresident van de Bondsrepubliek Duitsland, werd de eerste partijvoorzitter.

De FDP groeide uit tot een middelgrote (in vergelijking tot de CDU en SPD), centrumpartij, economisch rechts, cultureel links. In 1949-1956 en 1961-1966 vormde de FDP een coalitie met de CDU/CSU van Konrad Adenauer en later Ludwig Erhard. De langstzittende FDP-voorzitter in die tijd was de nationaalliberale Erich Mende, van 1960 tot 1968.

In 1966-1969 vormden de CDU/CSU en de SPD een grote Coalitie, waarin er voor de FDP geen plaats was. Sedertdien begon de FDP zich te oriënteren op samenwerking met de sociaaldemocratische SPD.

Geschiedenis 1969-1990[bewerken]

Partijcongres in 1976, rechts Hans-Dietrich Genscher, bondsminister 1969-1992 en partijvoorzitter 1974-1985

De voorzitter sinds 1968, Walter Scheel, hoorde tot een centristische groep die de partij vooral als liberaal en pas dan als coalitiepartner van een andere partij zag. Onder de SPD-kanseliers Willy Brandt en Helmut Schmidt vormde ze een sociaal-liberale coalitie, van 1969 tot 1982. FDP-voorzitter, vicekanselier en minister van Buitenlandse Zaken was eerst Walter Scheel, die in 1974 Bondspresident werd, en vanaf dan Hans-Dietrich Genscher. De coalitie met de SPD werd door sommige rechtse FDP-politici afgekeurd, zij gingen tot 1972 over naar de CDU. Er was ook voor een korte tijd de poging om een nieuwe, rechts-liberale partij te stichten (Nationalliberale Aktion van Siegfried Zoglmann).

In de toenmalige FDP was er een rechtse, nationale en op de economie gerichte vleugel, een eigenlijk midden van de partij en een linkse vleugel. De laatste lukte het om in 1971 de partij de zogeheten Freiburger Thesen te laten aanvaarden. Daarin werd een vergaande democratisering van de samenleving en een reform van het kapitalisme geëist. Die sociaalliberale oriëntering was echter van korte duur en stond ook niet voor de gehele partij.

In 1982 ruilde de FDP haar coalitiepartner in voor de CDU/CSU onder kanselier Helmut Kohl (zogenaamde Bonner Wende). Dit leidde tot kortstondige onrust binnen de partij, maar de links-liberale afsplitsing Liberale Demokraten bleef zonder succes. Genscher bleef minister tot 1992, de coalitie met Kohl ging door tot 1998.

In 1990 gingen in totaal vier Oost-Duitse partijen (onder meer de LDPD en de NDPD) in de FDP op.

Geschiedenis in het herenigde Duitsland[bewerken]

Bij de Bondsdagverkiezingen van 1990 kwam de FDP nog op 11 procent, ook dankzij de steun in het oosten. Daar had de FDP zelfs veel meer leden dan in het westen: eind 1989 telden alleen LDPD en NDPD al samen 190.000 leden, de west-FDP 66.000. Tien jaar later had de FDP in het oosten 12.400 leden en 52.000 leden in het westen.

Bij de Bondsdagverkiezingen van 1994 viel de FDP terug op 6,9 procent; toen zeiden 63 procent van de FDP-kiezers dat ze eigenlijk de CDU/CSU beter vonden.[1] Zulke stemmen noemt men geleende stemmen, deze kiezers wilden waarschijnlijk voorkomen dat de FDP onder de vijf procent viel en dan geen CDU/CSU-FDP-coalitie niet meer mogelijk was. Dankzij overhangmandaten voor de CDU kon de coalitie onder Helmut Kohl wel doorgaan. Vanwege ruzies binnen de FDP na het vertrek van Genscher in 1992 en misschien ook ontevredenheid over de belastingverhogingen na de hereniging verloor de FDP in bijna alle deelstaatverkiezingen in de jaren 1990 en was niet eens meer in het merendeel van de deelstaatparlementen vertegenwoordigd.

De Bondsdagverkiezingen van 1998 betekenden dat de FDP, die alleen iets verloor, en de CDU/CSU geen meerderheid meer kregen. Voor het eerst sinds 1982 was de kanselier weer een sociaaldemocraat, namelijk Gerhard Schröder met zijn rood-groene coalitie. Voor het eerst sinds 1969 zat de FDP weer in de oppositie.

De ommekeer kwam in 1999/2000: De CDU werd door een schandaal geteisterd. Kohl en Schäuble hadden grote donaties voor de partij aangenomen zonder de namen van de donateurs te vermelden (wat de partijenwet wel vereist). De FDP won weer in een rij van deelstaatverkiezingen. Na de weinig gelukkige voorzitters Klaus Kinkel (vanaf 1992) en Wolfgang Gerhardt (vanaf 1995) nam in 2001 de jonge Guido Westerwelle het roer over.

Na het jaar 2000 had Jürgen Möllemann grote invloed in de partij. Toen heeft hij de partij weer het parlement van Noordrijn-Westfalen in gekregen. Möllemann, ooit een politiek protegé van Genscher en diens staatssecretaris, was bondsminister van Economie tot 1993, toen hij in verband met nepotisme moest terugtreden. Möllemann had zich nu gerehabiliteerd en dwong de aarzelende partijleiding het concept Strategie 18 op. Volgens hem moest de FDP zelfstandig (zonder aankondiging van een gewenste coalitie) de Bondsdagverkiezingen van 2002 in, een kanselierskandidaat hebben en op 18 procent van de stemmen mikken. Westerwelle reed met een geel Guidomobil door het landschap en was op bezoek bij Big Brother toen de stemming in het land kenterde vanwege de aanloop van de Irak-oorlog en een vloedramp in Oost-Duitsland. Omstreden was ook een flyer die Möllemann zonder afspraak met de partij kort voor de verkiezingszondag aan de huishoudens in Noordrijn-Westfalen had gestuurd; in de flyer bekritiseerde Möllemann de Israëlische minister-president en ook de vicevoorzitter van de Raad van Joden in Duitsland fel.

Guido Westerwelle in 2009, FDP-voorzitter 2001-2011

Het resultaat van de verkiezingen was nauwelijks beter dan dat in 1998, en Schröder bleef kanselier. In verband onder meer met open vragen over de financiering van de FDP in Noordrijn-Westfalen trad Möllemann in 2003 uit de FDP uit, enkele maanden later stierf hij bij een parachutesprong (vermoedelijk was het zelfdoding).

In 2005 en 2009 noemde de FDP in de verkiezingscampagnes weer de CDU als haar gewenste partner en sloot coalities met de SPD uit. In 2005 bereikte ze met 9,8 procent een goed resultaat, maar had geen meerderheid met de CDU/CSU. Angela Merkel, de CDU-voorzitster, ging een coalitie met de SPD aan. Na een recordresultaat in 2009, namelijk 14,6 procent, zijn FDP en CDU/CSU weer sterk genoeg voor een coalitie samen. Bij de bondsdagverkiezingen in september 2013 haalde de FDP een historisch slecht resultaat (4,8 procent), en bleef daarbij onder de kiesdrempel van 5 procent. De FDP keerde daarmee niet terug in de bondsdag.

Voorzitters van de FDP[bewerken]

Theodor Heuss 1948-1949
Franz Blücher 1949-1954
Thomas Dehler 1954-1957
Reinhold Maier 1957-1960
Erich Mende 1960-1968
Walter Scheel 1968-1974
Hans-Dietrich Genscher 1974-1985
Martin Bangemann 1985-1988
Otto Graf Lambsdorff 1988-1993
Klaus Kinkel 1993-1995
Wolfgang Gerhardt 1995-2001
Guido Westerwelle 2001-2011
Philipp Rösler 2011-2013
Christian Lindner 2013-heden

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Getallen volgens Karlheinz Niclauß: Das Parteiensystem der Bundesrepublik Deutschland, 2e druk, Schöningh: Paderborn e.a. 2002, p. 123-127.