Friedrich Wilhelm Stammeshaus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken


Friedrich Wilhelm Stammeshaus (Sigli (Sumatra), 3 juni 1881 - Amsterdam, 21 augustus 1957) was een Nederlands militair, controleur, verzamelaar en etnograaf. Zijn collectie zou uitgroeien tot een van de belangrijkste etnografische verzamelingen in Noord-Sumatra.

Loopbaan[bewerken]

Stammeshaus, zoon van een Pruisisch officier van gezondheid en een Atjehse moeder, bood zich vrijwillig aan om zich als soldaat voor 6 jaar te binden aan het Leger in Oost-Indie. Na zijn middelbare schooljaren in Tilburg vertrok hij met het stoomschip Koning Willem III in de rang van sergeant op 20 juni 1903 uit Nederland om op 24 juli 1903 in Batavia aan te komen. Hier werd hij ingedeeld bij het elfde regiment infanterie. Op 26 mei 1904 volgde zijn overplaatsing naar Noord-Sumatra. Ondanks de heersende Atjehoorlog zou hij hier zijn grote liefde vinden voor het land, de cultuur en haar inwoners. Zijn eerste standplaats was bij het garnizoensbataljon van Sumatra’s oostkust in Medan. Het bataljon uit Medan fungeerde als bevoorrading en aanvullingscolonne voor de vliegende colonne onder overste Van Daalen die vanaf 8 februari 1904 onafgebroken door de Gajo en Alaslanden was getrokken en nu op het punt stond de Bataklanden binnen te trekken. Op 24 juni bereikte de aanvullingscolonne onder leiding van J.P.A. Wilhelm met sergeant Stammeshaus de marechausseecolonne van overste van Daalen. Op 23 maart 1906 kreeg hij het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp: Gajo en Alaslanden 1904.

Gezaghebber Stammeshaus met Panglima Polèm II

In september 1904 was Stammeshaus actief op de Karo-hoogvlakte, dicht bij het gebied van de Pakpak Batak die bekendstonden om slavernij en kannibalisme. De vondsten in deze regio waren een goede aanvulling voor de etnografische verzameling van Stammeshaus. Hij diende nog tot 1908 in het Oost-Indisch leger en was gerechtigd, naast zijn gesp voor de Gajo en Alaslanden, tot het dragen van de gespen Atjeh 1901-1905, Midden Sumatra 1903-1907 en Atjeh 1906-1910.

Binnenlandsch Bestuur te Atjeh[bewerken]

Vanaf 1909 was Stammeshaus als klerk werkzaam bij het Binnenlands Bestuur op de afdeling Groot-Atjeh te Seulimeum. Op 2 juni 1914 werd hij aangesteld als adspirant-gezaghebber te Lho Nga onder controleur G.J. van Dongen om vervolgens op 5 oktober 1915 te worden gepromoveerd tot gezaghebber (ter beschikking te Koeta Radja). Zijn eerste functie als controleur-gezaghebber zou hij gaan vervullen te Tjalang aan de Westkust van Atjeh (Onderafdeling Tjalang), een plaats die bekend was geworden in verband met de Nisero-Affaire. Inmiddels was Stammeshaus daar op 29 oktober 1921 bevorderd tot gediplomeerd-gezaghebber. Hij zou tot aan zijn buitenlands verlof in 1923 controleur te Tjalang blijven. Bij terugkomst van zijn verlof werd hij per 29 september 1924 aangesteld als controleur-gezaghebber te Lho Nga (Atjeh), een functie die hij tot zijn pensionering op 13 november 1931 zou blijven bekleden.

Atjeh Museum te Koeta Radja[bewerken]

Het Atjeh Museum te Koeta Radja

Naast zijn bestuursfunctie was hij vanaf 1929 ook toezichthouder en later conservator van het Atjeh Museum te Kota Radja. Het Atjeh Museum was een initiatief van de toenmalige gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden generaal Swart. Stammeshaus bleef tot en met 1933 als conservator en lid van de commissie van toezicht betrokken bij het Atjeh Museum.

Pensionering[bewerken]

Na zijn aankomst in Nederland verkocht Stammeshaus zijn privécollectie van 1300 etnografische objecten aan het Koloniaal Instituut in Amsterdam, het huidige Tropenmuseum. In deze collectie zaten velen topstukken, onder meer vele gouden sieraden, Atjehse wapens, amuletten, foto’s, maar ook gewone gebruiksvoorwerpen. Het meest bekende stuk is de persoonlijke jas van Teukoe Oemar. Stammeshaus werd tevens ook assistent-conservator in het Koloniaal Instituut, waar hij tot 1946 werkzaam was als conservator.

Daarnaast was hij actief als officier van de Amsterdamse Burgerwacht. Stammeshaus ontving vele onderscheidingen: onder meer het eerder genoemde Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven, Bene Merenti, het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier en het Verzetsherdenkingskruis. Namens de Atjehnese bestuurders kreeg Stammeshaus een Atjehnese titel met daarbij een rentjong en kupia voor zijn aandeel in het bestrijden van een hongersnood in Atjeh en zijn positieve bijdrage voor het Atjehnese volk tijdens zijn bestuursjaren.

Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  • 1905. J.C.J. Kempees. De tocht van overste van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden van 8 februari tot 23 juli 1904. J.C. Dalmeijer. Amsterdam.
  • 1977. A.A.J.T. Stammeshaus (red.), Eens en voor altijd Atjeh. Uit de nagelaten memoires van F.W. Stammeshaus, Amsterdam: Uitgeverij Centraal Venster
  • 1914. Heel, M.G. van (samenst.), Gedenkboek van de Koloniale Tentoonstelling in Semarang 20 Augustus-22 november 1914, Batavia: Drukkerij Mercurius (twee delen)
  • Regeerings-Almanak voor Nederlandsch-Indië - Kalender & Personalia (jaargangen 1909-1933).