Frisisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een frisisme is een barbarisme dat gevormd is naar voorbeeld van het Fries.

Lexicale frisismen in het Nederlands [bewerken]

  • aankomen (langskomen)
  • aanmaken (opschieten)
  • aanwillen; het wil me niet aan (ik geloof het niet)
  • ik wist niet als... (ik wist niet dat...)
  • anders geen mogelijkheid (geen andere mogelijkheid)
  • asvat (prullenbak, vuilnisvat)
  • erover kunnen (ertegen kunnen)
  • mogen (lusten), ook een germanisme
  • onder (beneden)
  • Over Leeuwarden gaan (via Leeuwarden gaan)
  • ongelijk (verschillend)
  • praten van een taal (spreken van een taal)
  • waar kom je weg? (waar kom je vandaan?)
  • ik heb mijn nocht (ik heb er genoeg van)
  • wat komt er voor de televisie? (wat komt er op televisie?)
  • televisie zien (televisie kijken), ook een germanisme
  • zien naar (kijken naar)
  • afvallen (tegenvallen)
  • uit van huis gaan (gaan logeren)
  • om drinken gaan (wat te drinken halen)
  • thee ingieten (thee inschenken)
  • pan (schotel, bord)
  • met zin (met opzet)
  • sneupen (snuffelen, m.n. in winkels)
  • op bed gaan (naar bed gaan)
  • van bed af gaan (uit bed gaan)
  • beurs (portemonnee)
  • neef/mug (mug/vlieg)
  • ergens wijs mee zijn (blij mee/trots op zijn)
  • aan tijd hebben (de tijd ervoor hebben)
  • zien (ziet U)
  • netjeser (netter)
  • opfietsen (samen ergens naar toe fietsen)
  • het spoelt (het regent erg hard)
  • Het is net of ben je erbij (Het is net of je erbij bent)
  • hemelen (schoonmaken)

Het Bokwerder Belang was een regelmatig terugkerende rubriek in de Leeuwarder Courant dat 'met zin' zo veel mogelijk frisismen gebruikte.

Syntactische frisismen in het Nederlands [bewerken]

Weglaten van de te + infinitief na om. Voorbeelden:

  • Ik heb zin om naar Frankrijk. (Ik heb zin om naar Frankrijk te gaan.)
  • Het is misschien wel leuk om er even heen. (Het is misschien wel leuk om er even heen te gaan.)


Onjuiste invoeging van 'te' voor een infinitief bij de absentief. Voorbeelden:

  • We gaan te kamperen. (We gaan kamperen.)
  • Ik was te varen. (Ik was aan het varen.)

Zie ook [bewerken]