Plinius de Jongere

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Gaius Plinius Caecilius Secundus minor (bijgenaamd minor, d.i. de Jongere, Como 61/62 - 114) was de neef en (na de dood van zijn vader) ook adoptiefzoon van Plinius de Oudere, en net als zijn oom letterkundige.

[bewerken] Biografische gegevens

Plinius werd geboren in 61-62 na Chr. te Como in Noord-Italië, en ontving zijn opleiding te Rome, waar hij les kreeg van de pedagoog Quintilianus. Hij verwierf zich een naam als advocaat en staatsman, en bekroonde zijn ambtelijke loopbaan in 100 met het consulaat. Plinius was bevriend met keizer Trajanus. Hij werd in 112 n. Chr. stadhouder van Bithynia, toen de toestand er uit de hand dreigde te lopen en de financiële en politieke toestand dringende sanering behoefden. Trajanus verleende Plinius daarvoor consulaire bevoegdheden. Plinius wordt vaak gezien als de verpersoonlijking van de homo litteraris van zijn tijd. Plinius overleed rond 114 na Chr.

[bewerken] Literaire betekenis

Van Plinius is een dankrede (Panegyricus) bewaard gebleven, gericht tot keizer Trajanus als dank voor het verlenen van het consulaat. Naar de mode van zijn tijd, is het werk geschreven in een gezwollen stijl, vol platvloers gevlei, eigen aan het genre.

Zijn beroemdheid als schrijver dankt Plinius de Jongere echter vooral aan zijn verzameling brieven (epistulae), die klaarblijkelijk met het oog op latere publicatie waren geschreven en door hem zelf als literaire essays zijn gepubliceerd. Ze zijn een sprekend bewijs van Plinius' middelmatigheid, maar bezorgen toch bijzonder waardevolle inlichtingen over eigentijdse gebeurtenissen en over het gezelschapsleven in die dagen.
In de twee vermaardste brieven beschrijft hij aan de geschiedschrijver Tacitus de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., die hij als zeventienjarige heeft meegemaakt, en waarbij zijn oom Plinius de Oudere het leven verloor.

Plinius treedt ons uit zijn brieven tegemoet als een ontwikkeld en humaan persoon, die ondanks enige oppervlakkigheid en ijdelheid, een sympathieke figuur blijft, en die zich uitstekend thuis voelt in zijn tijd. Daardoor toont hij ons de keerzijde van het sombere en pessimistische tijdsbeeld geschetst door zijn tijdgenoot Juvenalis.

[bewerken] Werk

Plinius Minor heeft tien boeken (de 'Epistulae' = 'brieven') geschreven. I-IX gaat over de correspondentie tussen zichzelf en zijn vrienden. Boek X is pas na de middeleeuwen ontdekt door een monnik, reden waarom de authenticiteit betwist wordt. Een van de bekendste brieven is de brief van Plinius Minor aan zijn vriend de geschiedschrijver Tacitus, die hem vroeg de uitbarsting van de Vesuvius te beschrijven , omdat hij op dat ogenblik op nog geen 30km afstand was (in Misenum), waarin hij vertelt over de dood van zijn oom (omdat hij denkt dat zo zijn oom nog meer verheerlijkt zal worden).Dit deel uit Tacitus zijn Historiae zijn verloren gegaan. De meeste brieven zijn met een terugkerend patroon geschreven. Het begint met de aanspreking, dan volgen de eigenlijke tekst, een 'sententia' (een persoonlijke terugblik van de schrijver op de inhoud van de brief met een opvallende formulering) en de afscheidsgroet 'vale'. De Latijnse tekst en een Nederlandse vertaling zijn te vinden op Wikisource.

Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Gaius Plinius Caecilius Secundus minor op de Nederlandstalige Wikisource.
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken