Gannef

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bronzen beeld van een kleine gannef getiteld boefje, ontworpen door beeldhouwster Tineke Slingerland-Nusink.

Gannef ook wel gespeld als gannew, gannif of ganf is een oorspronkelijk Hebreeuws woord (גַּנָּב), dat via het Jiddisch (gannew, uit te spreken als ĝannew) en daarna het Bargoens in het Nederlands terecht kwam. Gannef betekent dief, schelm of schavuit, met name als schimpwoord bedoeld.[1] Het meervoud gannowem of gannofem is minder in gebruik.

De overgang van woorden uit het Jiddisch via het Bargoens naar Nederlands vond vooral in steden waarin veel Joden woonden plaats, zoals in Amsterdam. Het woord is in het Amsterdams dan ook veel te horen, maar wordt in geheel Nederland gebruikt.

Afgeleide woorden[bewerken]

Van dit woord is het woord aartsgannef afgeleid: een dief in hart en nieren. Een dievegge wordt als gannefte aangeduid en diefstal als geneiwe (Hebreeuws: גניבה).

Ook kent men in het Nederlands thans het werkwoord gannefen of ganneven.[2]

Spreekwoorden[bewerken]

Aan dit woord zijn onder meer de volgende drie spreekwoorden in het Jiddisch ontleend:

  • Dem gannef brent de hiet

Bij de dief brandt de hoed. Hetgeen duidt op het feit dat de dader zichzelf vaak verraadt.

  • E gannew von e gannew is poter

Een dief van een dief is strafvrij. Diegene die steelt van een dief is vrij van de anders te betalen boete.

  • Wen zwaa gannowem sisch ssenken, waass der eerlische man wo saan geld bleibt

Als twee dieven ruzie krijgen, weet de eerlijke man waar zijn geld blijft. Vergelijkbaar met de Nederlandse uitdrukking: Als de kok met de keukenmeid kijft, weet mevrouw waar de boter blijft.[3]

Synoniemen[bewerken]

Een ander woord voor dief is het Jiddische marwieger hetgeen ook via het Bargoens in het Amsterdams terecht is gekomen en daarbuiten vrijwel niet wordt gebruikt. Marwiegen betekent behalve stelen ook verdienen (voornamelijk in de veehandel gebruikt).

Behalve de werkwoordsvormen ganneven en marwiegen, kent men meerdere woorden voor stelen in het Jiddisch die vrij populair in gebruik zijn geworden. Zo gebruikt men ook jatten en gappen waar weer begappen (bestelen), gapper en jatter van zijn afgeleid.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. J. v/d Kamp en J. v/d Wijk, Koosjer Nederlands, Joodse woorden in de Nederlandse taal, uitgeverij Contact, Amsterdam, 2006, p. 167.
  2. [1], Beide spellingen komen in Het Groene Boekje (De Woordenlijst Nederlandse Taal) voor.
  3. H.Beem, Jerosche, Boekhandel & Antiquariaat Blankevoort, Amstelveen, 1998, p. 75.