Gaspenning
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een gaspenning of gasmuntje is een muntje waarmee men tot in de jaren '50 van de 20e eeuw het gasverbruik in vele gemeenten kon betalen. Hiervoor was in de meterkast een speciale meter, een zgn. muntmeter, geïnstalleerd, die door de meteropnemer werd geleegd. De munten kocht men uit muntautomaten die in de wijken waren geplaatst door het gemeentelijk gasbedrijf. In Rotterdam werden ze verkocht door waterstokerijen.
Het doel van de gasmunten was te voorkomen dat mensen een te grote betalingsachterstand opliepen bij het gasbedrijf. Het systeem was echter niet geheel waterdicht. De munt van 2½ cent was ongeveer even groot als een gaspenning. Door er een keepje in te vijlen, kon deze munt worden gebruikt in de gasmeter. Als de meteropnemer kwam, moest de munt weer worden omgewisseld voor een veel duurdere gaspenning. De aangepaste halve stuiver werd in de meterkast bewaard voor de volgende gelegenheid. Niet alleen wanbetalers gebruikten deze noodgreep, maar ook andere mensen die op een ongelegen moment zonder gaspenning zaten.
Met de komst van de geiser is de gaspenning verdwenen: vanwege de waakvlam in deze apparaten was gebruik ervan niet toegestaan in combinatie met een muntmeter.[1] Af en toe komt men op ruilbeurzen nog wel gaspenningen tegen. Tegenwoordig wordt in Noord-Holland een proef uitgevoerd met energiemunten voor mensen met betalingsproblemen.
[bewerk] Zie ook
[bewerk] Voetnoot
- ^ De kachel brandde toen veelal nog op steenkool.

