Gedrag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het gedrag verwijst naar de acties of de reacties van een voorwerp of een organisme, gewoonlijk met betrekking tot de omgeving.

Het gedrag kan bewust of onbewust, openlijk of heimelijk, en vrijwillig of onvrijwillig zijn. Het gedrag wordt bepaald door het endocriene systeem en het zenuwstelsel. De complexiteit van het gedrag van een organisme is verwant met de complexiteit van zijn zenuwstelsel. Over het algemeen hebben de organismen met complexe zenuwstelsels een grotere capaciteit om nieuwe reacties te leren en zo hun gedrag aan te passen.

Het gedrag bestaat uit gedragingen, deze komen tot stand door de werking van effectoren (bijvoorbeeld spieren of klieren bij mensen en dieren). Het gedrag is georganiseerd in gedragssystemen (in groepen van samenhangende handelingen). Deze hebben (meestal) een gemeenschappelijk doel en volgen elkaar in een vaste volgorde op. De gedragssystemen zijn weer georganiseerd in gedragsketens. Hierbij leidt het ene gedragssysteem tot een volgend gedragssysteem (bijvoorbeeld de balts van de stekelbaars).

Het gedrag van mensen (en andere organismen of zelfs mechanismen) valt binnen een waaier van "algemeen" (veelvoorkomend) gedrag, ongebruikelijk gedrag (zonderling), aanvaardbaar gedrag en onaanvaardbaar gedrag. Acceptatie van gedrag wordt geëvalueerd met betrekking tot sociale normen en zijn door diverse middelen van sociale controle geregeld.

Oorzaken van gedrag bij mens en dier[bewerken]

Het gedrag wordt veroorzaakt door in- en uitwendige factoren.

Inwendige factoren bepalen de kans dat een bepaald gedrag uitgevoerd wordt. Hierbij speelt motivatie een belangrijke rol. Waarbij het hormoon- en het zenuwstelsel de motivatie kunnen beïnvloeden. Het hormoon- en het zenuwstelsel worden weer beïnvloed door de hoeveelheid (zon)licht en de hoogte van de temperatuur.

Uitwendige factoren zijn prikkels die het organisme ziet, hoort, ruikt, proeft of voelt. Van deze prikkels worden alleen de belangrijkste prikkels geselecteerd, deze kunnen gedrag veroorzaken. Er zijn twee soorten prikkels. De sleutelprikkel, deze prikkel speelt een rol bij het geven van de doorslag bij het veroorzaken van een bepaald gedrag. De supernormale prikkel, deze prikkel zorgt voor het effectiever veroorzaken van een bepaald gedrag dan dat de sleutelprikkel doet.

Bepalen van gedrag bij mens en dier[bewerken]

Het gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen. Een gedrag is grotendeels erfelijk als het gedrag al te zien is bij een pasgeboren organisme. Naarmate het organisme ouder wordt ontwikkelt het gedrag zich door leerprocessen tijdens het leven. Dat zorgt ervoor dat er een aangepast gedrag ontstaat dat de overlevingskansen van het organisme vergroot.

Er zijn verschillende soorten leerprocessen zoals: inprenting, gewenning, conditionering, imitatie en inzicht. Inprenting, is leren van iets dat alleen in een bepaalde korte levensperiode (de gevoelige periode) aangeleerd kan worden. Bijvoorbeeld het leren herkennen van soortgenoten of ouders. Gewenning, is het afleren van een reactie op een prikkel na het herhaaldelijk blootstellen aan de prikkel. Bijvoorbeeld het niet meer reageren van een spreeuw op een fotoflits. Conditionering, is het aanleren van gedrag door een 'beloning' of een 'straf'. Hieronder vallen trial and error, dresseren, klassiek conditioneren en modern/operant conditioneren. Trial and error, is het leren van de ervaringen die een organisme opdoet bij het uitvoeren van bepaald gedrag, ook wel proefondervindelijk leren genoemd. Bijvoorbeeld een insectenetende vogel die na het eten van een zwarte rups alle zwarte rupsen gaat vermijden, na een aantal keer de 'vieze' smaak van een zwarte rups te hebben geproefd. Dresseren, is het dieren aanleren van gedragingen bij een bepaald commando. Bijvoorbeeld het aanleren van honden om een poot te geven. Klassiek conditioneren, is het aanleren van gedrag dat bij een andere prikkel hoort. Bijvoorbeeld Pavlov die een hond aanleert om al te gaan kwijlen bij het voorafgaande belletje aan het voer in plaats van pas bij het voer zelf. Modern/Operant conditioneren, is het effect van een bepaald gedrag dat invloed heeft op het aantal keren dat dat gedrag (operant) plaatsvindt. Bijvoorbeeld een muis drukt op een hefboom en er komt eten uit een gat, de muis zal hierdoor vaker op de hefboom drukken om zo meer eten te krijgen. Imitatie, is het aanleren van gedrag door het nadoen van gedrag van soortgenoten, ook wel nabootsing genoemd. Bijvoorbeeld het leren van zang door jonge vogels door het nadoen van geluiden van de ouders. Inzicht, is het oplossen van een probleem in een onbekende situatie door verschillende opgedane ervaringen van vroeger te combineren. Bijvoorbeeld het opstapelen van kisten door een aap om zo bij hooghangende bananen te komen.

Gedrag en soortgenoten[bewerken]

Het gedrag dat soortgenoten ten opzichte van elkaar vertonen heet sociaal gedrag. Dit gedrag wordt beïnvloed door signalen. Deze werken als prikkel voor de volgende handeling van een soortgenoot, ze hebben dus een mededelingsfunctie. Door signalen is communicatie tussen soortgenoten mogelijk. Sommige gedragingen komen tot stand door middel van taakverdelingen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij bijen, er is een koningin die eieren legt, honderden darren bevruchten de koningin en duizenden werksters verrichten alle andere taken in het nest.

Een andere functie van gedrag is het vaststellen van een rangorde in een groep. Dit kan door imponeer- of verzoeningsgedrag. Bijvoorbeeld de pikorde bij kippen, het stampen en grommen van een chimpansee of het presenteren van het achterste bij bavianen. Er bestaat ook gedrag dat de functie heeft om het te kunnen afbakenen en het verdedigen van een territorium tegen binnendringende soortgenoten dit gebeurt door middel van aanvallen, vluchten of dreigen. Dit gedrag wordt territorium gedrag genoemd. Het vormen van een territorium stelt veilig dat er voldoende voedsel of ruimte is om nakomelingen groot te kunnen brengen. Maar om nakomelingen groot te kunnen brengen zullen soorten eerst moeten paren en nakomelingen moeten maken. Er is gedrag dat voorafgaat aan de paring en dat de kans op een paring vergroot dit heet baltsgedrag. baltsgedrag zorgt ervoor dat de agressie tussen de partners verminderd en de seksuele motivatie vergroot wordt. Dit baltsgedrag is soortspecifiek. Als er geen baltsgedrag wordt vertoont kan er conflictgedrag worden vertoond als twee soortgenoten elkaar tegen komen. Conflictgedrag is gedrag dat veroorzaakt wordt door een conflict tussen twee of meerdere gedragssystemen. Onder conflictgedrag vallen de volgende gedragingen: ambivalent gedrag, overspronggedrag en omgericht gedrag. Ambivalent gedrag is gedrag dat is samengesteld uit handelingen uit twee of meerdere gedragssystemen. Overspronggedrag is gedrag dat vertoont wordt als er een conflict is tussen twee gedragssystemen, er wordt dan gedrag vertoont uit een derde gedragssysteem. Omgericht gedrag is gedrag waarbij het organisme de agressie richt op iets anders dan op de soortgenoot.

Verschillen en overeenkomsten tussen het gedrag van mens en dier[bewerken]

Er zijn een aantal overeenkomsten tussen het gedrag van mens en dier. Bij beiden wordt het gedrag bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen, deze zijn vergelijkbaar. Ook zijn beiden gevoelig voor sleutelprikkels en super normale prikkels en komen er rolpatronen voor.

Maar er zijn ook een aantal verschillen. Zo wordt het gedrag van de mens sterker bepaald door leerprocessen dan bij dieren. Het leren door middel van inzicht is hier een voorbeeld van. ook kunnen mensen hun eigen gedrag beoordelen aan de hand van normen en waarden, iets dat dieren niet kunnen.

Gedragseffecten van een wet / regeling / tarief[bewerken]

Een wet / regeling / tarief (stimulus, stimulans) kan leiden tot gedragseffecten / gedragsreacties (respons). Dit kan al of niet (mede) de bedoeling zijn. Zie bijvoorbeeld instrumentele functie van belasting. Als de gedragseffecten niet de bedoeling en zelfs schadelijk zijn wordt soms gesproken van een perverse prikkel.

Zo kan een hoge marginale druk / een armoedeval de motivatie verminderen om meer inkomen te verwerven.

Verder is bijvoorbeeld voor de overbruggingsuitkering AOW een van de voorwaarden dat het inkomen voorafgaand aan de periode van het AOW-gat beneden een bepaalde grens ligt. Een toetsingsmoment meteen voorafgaand aan de ingangsdatum van de mogelijke overbruggingsuitkering zou kunnen leiden tot gedragseffecten waarbij inkomensbestanddelen net voor dat moment door de belanghebbende worden beëindigd om zodoende te kunnen voldoen aan de entree-inkomenstoets. Daarom is het toetsingsmoment 6 maanden eerder.[1]

Vermogen[bewerken]

Bij een vermogenstoets kunnen gedragseffecten optreden zoals het overhevelen van vermogen naar een vermogenscategorie die niet meetelt voor de vermogenstoets, of het uitgeven of wegschenken van vermogen, of het afzien van sparen.[2]

Bij de vermogenstoets in de overbruggingsuitkering AOW kan er een sterke prikkel zijn om te zorgen dat het vermogen op de peildatum onder de vermogensgrens ligt, vooral als de benodigde verlaging van het vermogen ten opzichte van het vermogen op de peildatum zonder gedragsverandering kleiner is dan het totale netto bedrag van de overbruggingsuitkering. Dan worden de financiële gevolgen van het doen van schenkingen of extra uitgaven namelijk meer dan volledig gecompenseerd door de overbruggingsuitkering. Anders dan in veel andere gevallen is er hier een vaste peildatum die jaren tevoren bekend is (voor zover de regelgeving niet gewijzigd wordt), zodat extra uitgaven geleidelijk kunnen plaatsvinden. Een onverwachte vermogenstoename, zoals door een erfenis, kan echter zorgen dat men toch boven de vermogensgrens zou uitkomen (waardoor de vermogenstoename per saldo nadelig kan zijn), tenzij men tijdig het bedrag dat men boven de vermogensgrens zou uitkomen uitgeeft of wegschenkt (in het geval van een erfenis kan men deze ook verwerpen). Voor een betrokkene (prepensioener en dergelijke, al minstens sinds 1 januari 2013, met een niet te hoog inkomen) geboren in de periode september - december 1953 is het effect het grootst: het inkomensverlies van de verhoging van de AOW-leeftijd wordt voor een bedrag van netto ongeveer € 22.000 vergoed als hij op 1 januari 2018 minder vermogen (exclusief eigen huis) heeft dan ongeveer € 21.000.[3]

Bij de Wet werk en bijstand wordt, als iemand na het opmaken van het niet-vrijgelaten vermogen bijstand aanvraagt, bezien of hij zijn vermogen te snel heeft uitgegeven, of in het zicht van de eigen behoeftigheid geld heeft weggeschonken. Er kan dan geconcludeerd worden dat hij "onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond bij het voorzien in de kosten van het bestaan." In dat geval wordt een sanctie toegepast bij de uitbetaling van de bijstand.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW - concept
  2. Zie bijvoorbeeld [1] en het daarin gelinkte artikel.
  3. Dit is op basis van de geplande snellere verhoging van de AOW-leeftijd.
Icoontje WikiWoordenboek Zoek gedrag op in het WikiWoordenboek.