Gedwongen winkelnering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gedwongen winkelnering is de verplichting om aankopen bij een bepaalde leverancier te doen.

Geschiedenis[bewerken]

Vooral in de negentiende eeuw moesten arbeiders in bepaalde bedrijfstakken een deel van het loon besteden bij de werkgever of door de werkgever aangewezen winkelbedrijven. Dit werd bijvoorbeeld gerealiseerd door het loon uit te betalen in bonnen die alleen in bepaalde winkels konden worden besteed. De prijzen waren daar hoger dan in andere winkels.

België[bewerken]

In België werd dit zogenoemde trucksysteem verboden in 1887.[1]

Nederland[bewerken]

In Nederland was de gedwongen winkelnering mede de aanleiding voor een grote staking van veenarbeiders, die op 22 maart 1888 in Appelscha begon en die zich snel over de noordelijke provincies uitbreidde. Minister Ruijs de Beerenbrouck nam een verbod op in zijn ontwerp van een Arbeidswet, maar tijdens de parlementaire behandeling verdween dit artikel uit de wet. Bij een herziening in 1906, in werking getreden in 1909, werd alsnog een verbod opgenomen.

Nieuwe vormen[bewerken]

Het begrip gedwongen winkelnering wordt tegenwoordig vaak in ruimere zin gebruikt. In gevangenissen en verzorgingstehuizen bestaat in feite gedwongen winkelnering. Er is daar maar één (dure) winkel terwijl een alternatief voor velen nauwelijks mogelijk is.

Langs autosnelwegen vindt men monopolies van fastfoodrestaurants en dergelijke, die men niet ontwijken kan tenzij men de snelweg verlaat. Dit is met name het geval in landen waar tolwegen zijn.

Nederland[bewerken]

In Nederland bestaat voor het alleenrecht van ROC's om inburgeringscursussen te verzorgen of voor de verplichting van patiënten om bepaalde medische dienstverleners te kiezen.

Referentie:
  1. Wet van 18 augustus 1887 met betrekking tot de onafstaanbaarheid en de onaantastbaarheid van het loon der werklieden