Geheime Boek van Johannes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het geheime boek van Johannes (Koptische tekst Nag Hammadigeschriften).

Het Geheime Boek van Johannes, ook wel de Apocrief van Johannes genoemd is een gnostisch geschrift. Het wordt vaak abusievelijk als een ontdekking uit de Nag Hammadi-bibliotheek voorgesteld. Het werk maakt deel uit van de Codex Berolinensis, die in 1899 werd teruggevonden. Vijfenveertig jaar later werd in de Nag Hammadi-bibliotheek een ander exemplaar gevonden. Er zijn in totaal drie licht van elkaar afwijkende Koptische tekstvarianten bekend.

Het boek stelt Johannes voor als de ontvanger van allerlei openbaringen. In het begin van het boek wordt uitleg gegeven over de Goddelijke orde waarin de Hoogste God voorgesteld wordt als: "Hij is noch volmaaktheid, noch schoonheid, noch godheid, want hij is meer dan dat; hij is zelfs niet oneindig, want hij is meer dan dat. Hij maakt geen deel uit van eeuwigheid of tijd". Daarna treedt Johannes in dialoog met Jezus, waarbij vooral wordt uitgelegd hoe de onvolmaakte wereld is ontstaan. Daarbij wordt een versie van het scheppingsverhaal verteld, die zich afzet tegen de gebruikelijke interpretatie van het Bijbelboek Genesis met de achterliggende gedachte van een demiurg, die in de Apocrief van Johannes Jaldabaoth genoemd wordt. Het derde deel bezingt lof op de Pronoia, die een soort gnostische tegenhanger van de christelijke Voorzienigheid Gods is en voor gnostici als verlossingsgestalte geldt. Het begrip pronoia komt al voor bij de Stoa.

Het Geheime Boek van Johannes beschrijft de goede God als onkenbaar en onbeschrijflijk. Typerend voor de gnostiek is dat die God niet handelt zoals in het christendom, maar druk bezig is "zichzelf te denken". De schepping is door de Hoogste niet gewild, maar per ongeluk ontstaan door de demiurg, de God van het Oude Testament die niet de Hoogste God is. Verlossing wordt bereikt door het verwerpen van de wereld en door zich aan strenge lichaamsvijandige voorschriften te houden.

Het geschrift deelt kenmerken met een aantal Sethiaanse Nag Hammadi-geschriften en wordt daarom de Sethianen toegerekend. Deze opvatting is het meest verbreid, maar niet onomstreden.