Geitenbaard

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geitenbaard
Aruncus dioicus
Aruncus dioicus
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Rosales
Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)
Geslacht: Aruncus
soort
Aruncus dioicus
(Walter) Fernald (1939)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Aruncus dioicus vruchten

De geitenbaard (Aruncus dioicus) is een vaste plant uit de rozenfamilie (Rosaceae). De plant wordt 1,5-2 m hoog. De soort heeft weinig vertakte stengels. De bladeren zijn onevengeveerd.

Bladeren

De bloemen zijn geelwit bij vrouwelijke pluimen en helderwit bij mannelijke. De bloei is van juni tot half augustus. De opmerkelijke naam heeft betrekking op de bloeiwijze met sterk vertakte pluimen met crèmewitte bloemen, die doet denken aan de sik van een geit.

Vroeger werd geitenbaard vaak foutief met Spiraea (Spierstruik) aangeduid, omdat de bloeiwijze daar veel op lijkt.

Kweek[bewerken]

Voor de kweek van geitenbaard is vochtige, halfbeschaduwde grond het beste. De planten gedijen uitstekend op een kleiachtige grond. Geplant dient te worden in het najaar of vroege voorjaar.

Verwante soorten[bewerken]

Het geslacht Aruncus telt ongeveer tien soorten, die allemaal winterhard zijn. Een andere soort is :

  • Aruncus sylvester (synoniem: Spiraea aruncus): idem, maar bloemen hebben een iets gelere tint. Hiervan bestaat de volgende cultivar:
  • Aruncus sylvester 'Kneiffii': idem, maar slechts 60 cm hoog.
Bronnen, noten en/of referenties
  • Wijlen, A. van (1980) Grote Tuinplanten Encyclopedie, Zuid-Nederlandse Uitgeverij Aartselaar.

Externe link[bewerken]