Gele vlek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Doorsnede van een oog
netvlies (retina), regenboogvlies (iris), hoornvlies (cornea), gele vlek (macula lutea), oogzenuw, lens, pupil

De gele vlek (macula lutea) is een gebied aan de achterkant van het netvlies waar zich grotendeels kegeltjes in de lichtgevoelige laag bevinden. Kegeltjes zijn de zintuigcellen waarmee het mogelijk is kleuren waar te nemen (er bestaan ook staafjes, maar die nemen geen kleuren waar).

Met de gele vlek neemt men het centrale gedeelte van het gezichtsveld waar, dat deel waar men de blik op richt.

De gele vlek - als brandpunt van de ooglens - is het gebied waarmee men de kleinste details kan waarnemen. De gezichtsscherpte is het grootst in het midden hiervan - de fovea centralis: het punt bijna recht achter de ooglens - een gebied van slechts één vierkante millimeter in oppervlakte. De kegeltjes functioneren echter alleen als het niet te donker is.

Met name overdag, bij een voldoende grote lichtsterkte, is de gele vlek het gebied dat van het grootste belang voor het waarnemen van fijne details. 's Nachts - bij een geringere lichtsterkte - zijn alleen de staafjes in staat om licht waar te nemen. Het is op dat moment dan ook onmogelijk om scherp te zien: als de blik precies op een voorwerp wordt gericht, komen de lichtstralen in de gele vlek van het netvlies terecht. Aangezien zich hierin geen staafjes bevinden, zal men slechts wazig zien. Als de blik enigszins naast het voorwerp wordt gericht, vallen de lichtstralen net naast de gele vlek. Hier bevinden zich wel staafjes, zodat het dan wel mogelijk is meer details te zien. Als men 's nachts een zwakke ster optimaal wil waarnemen kan dat het best door er net naast te kijken.