Gelijkheidsbeginsel
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen principe dat iedere burger (wettelijk) gelijke rechten en een gelijke behandeling in gelijke gevallen toekent. Dit mensenrecht is vastgelegd in veel internationale verdragen en in de Nederlandse grondwet verankerd in artikel 1. Het beginsel heeft met name betrekking op gelijke behandeling naar godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
Het gelijkheidsbeginsel is een westers begrip en heeft zijn wortels in het humanisme en de verlichting. Bij de Franse revolutie was het gelijkheidsbeginsel voor het eerst het uitgangspunt bij de staatsinrichting (égalité naast de liberté en de fraternité). Pas in de 20e eeuw werd als uiting van het gelijkheidsbeginsel het algemeen kiesrecht en het vrouwenkiesrecht in Nederland ingevoerd.
[bewerk] Gelijkheidsbeginsel en godsdienst
Het gelijkheidsbeginsel is geen universeel aanvaard concept. In de meeste godsdienstige stromingen wordt onderscheid gemaakt tussen uitverkorenen en heidenen en tussen mannen en vrouwen. Een aantal voorbeelden hiervan:
- In de rooms-katholieke Kerk is het priesterambt alleen toegankelijk voor ongetrouwde mannen.
- Binnen de Staatkundig Gereformeerde Partij, een protestante getuigenispartij, mogen vrouwen geen politieke functies uitoefenen.
- Binnen de Sharia, de islamitische wet, wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Moslims, die alle rechten hebben
- Dhimmis, onderworpen niet-moslims, die aanhangers zijn van een monotheïstische godsdienst; zij hebben beperkte rechten.
- Harbis, alle andere niet-moslims; zij hebben geen rechten.
- Het hindoeïsme kent het kastenstelsel, waarbij de afkomst bepaalt welke rechten iemand heeft.

