Gelijkheidsbeginsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen principe dat iedere burger (wettelijk) gelijke rechten en een gelijke behandeling in gelijke gevallen toekent. Het gelijkheidsbeginsel kan gerekend worden tot de gelijkheidsrechten onder de grondrechten en/of mensenrechten en is vastgelegd in veel internationale verdragen. Het beginsel heeft met name betrekking op gelijke behandeling ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

Het gelijkheidsbeginsel is een westers begrip en heeft zijn wortels in de Verlichting en het humanisme. Bij de Franse Revolutie was het gelijkheidsbeginsel voor het eerst het uitgangspunt bij de staatsinrichting (égalité naast de liberté en de fraternité). In de 20e eeuw werd als uiting van het gelijkheidsbeginsel het algemeen kiesrecht en het vrouwenkiesrecht in Nederland ingevoerd.

In de Nederlandse Grondwet is het gelijkheidsbeginsel verankerd in artikel 1:

"Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan."[1]

In de Belgische grondwet wordt daarin voorzien in de artikelen 10, 11 en 191:[2]
Art. 10.
"Er is in de Staat geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd."

Art. 11.
"Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden."

Art. 191.
"Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen."

Gelijkheidsbeginsel en godsdienst[bewerken]

Het gelijkheidsbeginsel is geen universeel aanvaard concept. In de meeste godsdienstige stromingen wordt onderscheid gemaakt tussen uitverkorenen en heidenen en tussen mannen en vrouwen. Een aantal voorbeelden hiervan:

  • In de rooms-katholieke Kerk is het priesterambt alleen toegankelijk voor ongetrouwde mannen.
  • De ChristenUnie, een andere orthodox-protestantse partij, weert feitelijk homoseksuelen uit bestuurlijke en vertegenwoordigende functies.
  • Binnen de Sharia, de islamitische wet, wordt onderscheid gemaakt tussen:
    • Moslims, die de meeste rechten hebben
    • Dhimmi's, onderworpen niet-moslims, die aanhangers zijn van een monotheïstische godsdienst; zij hebben beperkte rechten.
    • Harbi's, alle andere niet-moslims; zij hebben de minste rechten.
  • Het hindoeïsme kent het kastenstelsel, waarbij de afkomst bepaalt welke rechten iemand heeft.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties