Genenpoel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een genenpoel is in de populatiegenetica de verzameling van alle allelen van een bepaald gen in een bepaalde populatie. De genenpoel vormt het materiaal waarmee de populatie zich door natuurlijke selectie maximaal zal aanpassen aan zijn omgeving. Wanneer in een populatie meerdere allelen van een bepaald gen aanwezig zijn, wordt de populatie polymorf voor dat gen genoemd; als er maar een allel van het gen aanwezig is heet de populatie monomorf.

Grootte[bewerken]

Bij polyploïde soorten kan het aantal allelen in de populatie groter zijn dan het aantal individuen, maar meestal is het omgekeerde het geval. Bij incest zal de genenpoel in de populatie afnemen. Monomorfe populaties zijn vaak het gevolg van sterke incest en een kleine populatiegrootte.

De grootte van de genenpoel wordt de effectieve populatiegrootte (afgekort: Ne) genoemd. Bij een diploïde soort is dit (met uitzondering van de geslachtschromosomen) maximaal twee keer de grootte van de populatie (N):

Ne ≤ 2N

De ideale verdeling van allelen over een populatie wordt beschreven door de wet van Hardy-Weinberg.

Evolutionair voordeel[bewerken]

Hoewel nieuwe mutaties geregeld voor nieuwe allelen kunnen zorgen, zal een populatie waarin de allelen al aanwezig zijn zich sneller kunnen aanpassen dan een populatie waarin het gewenste allel eerst door mutatie moet ontstaan. Daarom geldt dat hoe groter de genenpoel is, des te makkelijker een populatie zich aan zijn omgeving aanpast.

Dat wil niet zeggen dat een grote genenpoel altijd een evolutionair voordeel is. In een stabiele omgeving kan een grote genenpoel juist nadelig zijn, omdat dan veel ongunstige combinaties van allelen kunnen voorkomen.