Gentil Theodoor Antheunis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Gentil Theodoor Antheunis (Oudenaarde, 9 september 1840Elsene, 5 augustus 1907) was een Vlaams dichter en componist. Hij was de schoonzoon van Hendrik Conscience.

Hij was van 1859 tot 1860 leraar in het college van zijn geboortestad en in 1861 leraar te Dendermonde. Vervolgens studeerde hij aan de Hogeschool van Gent, promoveerde in 1866 en werd op 1 januari 1868 vrederechter te Oostrozebeke. Van daar ging hij in dezelfde hoedanigheid naar Torhout. Op 15 juli 1877 werd hij vrederechter te Halle en vervolgens te Brussel.

Hij schreef in verschillende dagbladen en tijdschriften liederen en gedichten, waarvan er onderscheidene door Willem De Mol op muziek zijn gezet, onder andere: Lentelied, Ik ken een lied, Droeve tijden, Bethlehem. Ze zijn alle verenigd in één bundel (1873). In 1874 werd hij door de Antwerpse Rederijkerskamer de Olijftak bekroond voor een minnelied. Verder gaf hij nog in het licht: Uit het hart, Liederen en gedichten (Dendermonde en Leiden, 1875); Liederkrans uit de Loverkens van Hoffmann van Fallersleben, met muziek van G. Antheunis (Gent, 1877); Leven, lieven en zingen (Gent, 1879). Een thans nog relatief bekend lied van hem is Mijn Vlaanderen heb ik hart'lijk lief.

Antheunis ligt in Oudenaarde begraven, alwaar het Gentiel Antheunisplein naar hem is vernoemd.

Bronnen:

Dit artikel is geheel of gedeeltelijk gebaseerd op een artikel uit het Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde van F. Jos. van den Branden en J.G. Frederiks uit 1888-1891, dat vanwege zijn ouderdom vrij is van auteursrechten.

 
Persoonlijke instellingen
in andere talen